C. Muzikale vormen

  

10. Vormen, gebruikt in vocale muziek, in alfabetische volgorde.

 

 

Er wordt en werd veel gezongen in de wereld. Soms vind je het mooi, meestal vind je het verschrikkelijk, smaken verschillen, het is niet anders. En het brengt allerlei vormen met zich mee: 

 

Antifoon:         (Oudgrieks: tegenstem), vers dat gezongen wordt als inleiding op en ter afsluiting van een psalm tijdens de mis en het getijdengebed.

Als de helften van een psalmvers of gehele verzen om en om worden uitgesproken of gezongen, heet dat antifonaal. In het Gregoriaans zingt een voorzanger de eerste woorden van de antifoon, waarna de andere zangers inzetten. Er zijn in de loop der eeuwen vele antifonen gecomponeerd.

Een speciaal soort antifonen zijn de Maria-antifonen. Deze antifonen vormen zelfstandige gezangen, los van de psalmodie. In het getijdengebed worden de completen besloten met één van de vijf antifonen, naargelang het kerkelijk jaar.

De vijf Maria-antifonen zijn:

Alma Redemptoris Mater, Ave Regina Caelorum, Regina coeli, Sub Tuum Praesidium en Salve Regina

Tijdens de laatste week van de Advent worden in combinatie met het Magnificat de zeven zogenaamde 

O-antifonen gezongen.

 

Aria:                Oorspronkelijk een expressief versje, dat vaak door een zanger, maar soms ook door een instrument werd uitgevoerd(zie air).Later betekende de term aria een compositie voor één stem met orkestbegeleiding. Zo’n aria is dan onderdeel van een opera, een cantate of een oratorium.

Arioso:            zangstukje dat een beetje tussen aria en recitatief inzit.

Ballade:          (Italiaans: ballata): In de 14de   en 15de  eeuw, een Frans lied, één van de  formes fixes. De liedvorm is A-a-B, waarbij a dezelfde melodie heeft als A, maar een andere tekst en B een kortere, afsluitende regel is, of een refrein. De ballade had een prominente bovenstem en twee onderstemmen, die eventueel door instrumenten konden worden uitgevoerd. De beroemdste componist van polyfone ballades was Guillaume de Machaut.

In de Romantiek: Verhalend lied, vaak strofen, verder geen vaste vorm.

Balletopera:    Franse combinatie van opera en ballet, met name 17e en 18e-eeuwse composities

Barcarolle:      Venetiaans gondelierlied (barca = boot) . Later ieder ander lied van bijvoorbeeld zeeman.

Barzelletta:     een populaire liedvorm in Italië in de 15de en 16de eeuw. De tekst heeft een trocheeritme met 8 lettergrepen per regel. De barzelletta is levendig en dansbaar.

Beeldmotetten:

gravures met muzieknotatie, kwamen voor aan het eind van de 16de eeuw, vooral  in Vlaanderen.

 

Baude Cordier (rond 1400): Belle, bonne 

 voorkant van de Codex Chantilly

 

                                                                       

 

Blues:              is een muzikale stijl die is ontstaan in de 19e eeuw op plantages in de zuidelijke staten van de USA. Zwarte slaven gaven op de plantages met hun muziek uitdrukking aan hun dagelijkse problemen met betrekking tot familie, werk, drankverslaving of financiën. Muziek maken met elkaar of alleen, met of zonder instrumenten, was voor hen vaak de enige manier om hun lijden uit te drukken en te verzachten. Er zijn vele verhalen over het ontstaan van het woord blues maar het meest voor de hand liggend is dat het woord zijn oorsprong vindt in het Engelse 17e eeuwse gezegde "blue devils" waarmee bedoeld werd de geestelijke en lichamelijke gevolgen die kunnen voortkomen uit alcoholgebruik, met name dan de problemen die ontstaan door het niet voorhanden hebben van alcohol. Het karakter van blues is dan ook weemoe­dig en melancholisch (to feel blue = treurig zijn), zowel van de muziek als van de tekst.

De voornaamste muzikale bronnen die tot het ontstaan van de blues hebben bijgedragen zijn de religieuze liederen (gospels, spirituals), en de worksongs, liederen die tijdens de slavenarbeid werden gezongen.

Het metrum is een maat. Een blueslied heeft sinds het ontstaan van de blues een vaste structuur van 12 maten over een zgn. I-IV-V akkoordenprogressie (12 Bar Blues). Vanaf 1910 werden de blues meer en meer van een  begeleiding voorzien

De blues is, samen met de ragtime (zie paragraaf7), van bijzonder grote invloed geweest op de ontwikkeling van de jazz, alle stijlen, van New Orleans Jazz tot en met cool jazz. En blues staat aan de basis van rock ’n roll, twist, beat en pop.

Caccia (=Italiaans: 'jacht') Italiaanse liedvorm het  Trecento (14e eeuw).

driestemmig: twee levendige bovenstemmen (Triplium en Duplum) in canon, met een op de jacht, of de jacht als allegorie betrekking hebbende tekst, en een rustiger instrumentale onderstem (Tenor),

Canción          (= Spaans: lied)In de Renaissance uitwisslebaar met cantiga, cantar, canson, en villancico; het Spaanse alternatief voor het chanson van de Franco-Vlaamse School.

In de negentiende en twintigste eeuw werd het de naam voor Zuid-Amerikaaanse, vooral Cubaanse liederen , gewordteld in de Spaanse liedvormen. Moderne Zuidamerikaanse liederen worden vanaf 1960 vaak nueva canción genoemd

Cantate:          Op muziek gezet verhaal. Een muzikale compositie voor één of meer zangers, en/of koor, begeleid door instrumenten.Een cantate bestaat meestal uit meer delen, doorgaans recitatieven  en aria’s.

De term cantate werd in de 17de eeuw bedacht om onderscheid te kunnen maken met de sonate, die voor instrumenten is bedoeld.

In de 17de en 18de eeuw speelden cantates in de Lutherse kerkdiensten een belangrijke rol. Bach heeft daarvoor honderden prachtige cantates geschreven. Voor elke zondag van het kerkelijk jaar zijn van hem drie tot vijf cantates bewaard gebleven (zie cantatekalender.)

Cantiga:          In de Middeleeuwen een éénstemmig Galicisch-Portugees lied. Meer dan 400 zijn cantigas de Santa Maria, verhalende liederen over wonderen verricht door of lofprijzingen ter ere van de Heilige Maagd Maria. Daarnaast zijn er teksten van 1700 wereldlijke cantiga’s; er zijn maar 13 melodieën bewaard gebleven. 

In de Renaissance een muzikale liedvorm, verwant aan de villancico en het canción.

Cantiga de amigo: (lied over een vriend),

middeleeuwse erotische lirische poëzie, van 1220 – 1300 geschreven in noordwest Spanje. De . Cantigas d' amigo (88 auteurs) zijn te vinden in het Cancioneiro Colocci-Brancuti, (Nationale Bibliotheek Lissabon), het Cancioneiro da Vaticana, en het  Pergaminho Vindel,  waarin ook de zeven liederen van Martin Codax mèt de muziek.

Canzonetta:    Liedje

Catch             foefjescanon, een vorm van canonzingen (minstens driestemmig) waarbij de tekstwoorden  zodanig  intergreren dat er een woord of zin word gevormd, die niet ontstaat wanneer een stem alléén zou zingen. Dat woord of zinsdeel is doorgaans in insinuatie of toespeling op politiek of sexueel incorrect gebied. 

Bekende componisten van catches waren Henry Purcell, Michael Wise en John Wall Callcott.

Chanson          (=Frans: lied), luisterlied, de populairste, meest eigen stijl van Franse zangkunst. Het lied heeft een poëtisch-verhalende vorm.  Een chansonzanger heet  chansonnier. Eén van de begeleidende instrumenten van een traditioneel Frans chanson is de accordeon.

Da Capo aria:  aria in een opera of oratorium in ABA vorm: na een middenstuk wordt het begincouplet herhaald (een 4-regelig kwatrijn of een 8-regelige stanza. Vanaf het begin van de 18de eeuw werden Da Capo-aria’s vaak (tot vervelens toe) gebruikt in de barokke opera’s en oratoria.

Declamatorium: een werk voor spreekstem begeleid door muziek.

Ensalada         (= Spaans voor salade) is een vorm van polyfone wereldlijke muziek, toegepast in Spanje in de 16de eeuw, waarin talen en dialecten op een nonsensicale quodlibetmanier gemixt worden. De gebruikte talen zijn voornamelijk Castiliaans (Spaans), Catalaans, Italiaans, Frans en Latijn.

Fado:              (afgeleid van het latijnse fatum = noodlot), het Portugese levenslied. Er is geen andere muzieksoort op aarde waarin melancholie en fatalisme zo worden gecultiveerd. De stijl is ontstaan rond 1829 in de arme wijken van Lissabon. Amália Rodrigues was de belangrijkste en invloedrijkste fadozangeres ooit.  De laatste jaren (2015) is de fado vernieuwd door met name zangeres Lula Pena

Farsa:             (Italiaans, soms ook  farsetta; .meervoud: farse) is een Venetiaanse opera van één acte gecomponeerd  in de late 18de en begin 19de eeuw. De Duitse componist Johann Simon Mayr, die in Noord-Italië leefde, schreef 30 farse, Rossini schreef er vijf.

Frans Chanson

Middeleeuws lied, door troubadours gezongen, doorgaans over de hoofse liefde. In de renaissance werd het Franse Chanson een polyfoon lied met melodieuze tekst en veel onomatopeeën

Frottola:          Italiaanse drie- of vierstemmige compositie, zowel zuiver vocaal als met begeleiding van instrumenten  in 3/4 of 4/4maat.  Voorloper van het madrigaal, populair was in de late 15e en vroege 16e eeuw aan de Noord-Italiaanse vorstenhoven van Mantua, Ferrara en Urbino.

De teksten van de frottola's waren eenvoudig en bestonden uit acht strofen van zes versregels met telkens een refrein waarbij de melodie steeds herhaald werd. Liefdesgedichten, korte verhalen, die met weinig woorden emotionele liefdesproblemen behandelen

Belangrijke componisten van frottola's waren Bartolomeo Tromboncino (gestorven omstreeks 1535) en Marchetto Cara (gestorven  omstreeks 1530).

Graduale         Gregoriaans gezang van de mis, een  onderdeel van het Proprium: de wisselende gezangen.Het woord graduale is afgeleid van het Latijnse woord gradus, trede, omdat het begon als trapgebed, door de priester gebeden voorlezen een Nieuwtestamentische Bijbeltekst

Gospel of gospelmuziek: (gospel = (Engels) evangelie)

werd geboren in de katoenvelden van de zuidelijke staten van de Verenigde Staten van Amerika. Het is zwarte religieuze muziek,  beïnvloed door de ritmiek die de slaven meebrachten uit Afrika en de bevindelijke manier van geloven van de blanken. Het leven na de dood, vaak aangeduid als het oversteken van de rivier de Jordaan, is een terugkerend thema.

Belangrijke vertolkers van de (zwarte) gospel waren Mahalia Jackson, 'de koningin van de gospelmuziek', de Staple Singers en The Five Blind Boys of Alabama.
Ook Elvis Presley zong veel gospels. Voornamelijk met vrienden, maar ook tijdens optredens.

Uit de gospelmuziek kwam in de jaren vijftig en zestig de soul voort, met invloeden uit de rhythm & blues. Het religieuze karakter viel hierbij weg,

Glee:               vorm van  part song vanaf de late barok tot het begin van de romantiek, dus zo’n beetje in de 18de eeuw. Voor minstens drie stemmen, onbegeleid gezongen. In de 18de en 19de eeuw waren er glee-clubs in heel Engeland.

Grand opéra:  groots opgezette opera, met veel heroïek en nadruk op costumering, decor en enscenering.  

Hymne:           (Grieks: ὕμνος, "lofzang")  verheven lofzang op een bepaald onderwerp (een land, God of een godheid, of een gebeurtenis zoals de Olympische Spelen). Hymnen kunnen zowel wereldlijk als geestelijk van aard zijn. In de christelijke traditie is het zingen van hymnen een vast onderdeel van de liturgie. Het zingen van hymnen is overigens de vroegst gedocumenteerde muzikale activiteit in de christelijke kerk (Mattheus 26:30; Marcus 14:26).

Kameropera:   kleinschalige operavorm, voor klein orkest en slechts een klein aantal zangers.    

Kinderopera:   operagenre, dat in enscenering en opvoering afgestemd is op de belevingswereld van kinderen.   

Koraal:            een kerkelijk zangstuk dat door meerdere zangers (koor) wordt uitgevoerd. Oorspronkelijk is een koraal de eenstemmige gregoriaanse koorzang in de rooms-katholieke liturgie. In de 16e eeuw, ná de Reformatie wordt het begrip in de Lutherse kerk gebruikt voor de eenstemmige zang door de de gehele kerkgemeenschap. Hiermee wordt het feitelijk een synoniem van kerklied; het koraal vormt de basis voor hele Lutherse kerkmuziek.

Al in een vroeg stadium ontstonden vierstemmige uitwerkingen ter begeleiding. Maarten Luther liet bijvoorbeeld vierstemmige zettingen van koralen schrijven door Johann Walter. Veel componisten volgden. Vierstemmige koralen, of koraalbewerkingen vormen vaak de hoekpunten van motetten, cantates en passies.

Lai of Lay:       kort verhalend gedicht (600 – 1000 regels) uit de Middeleeuwse lectuur, opgebouwd uit lange stanza's van tetra- tot octosyllabische verzen. Ze kwamen voornamelijk voor in Bretagne en in Engeland (dat ook niet voor niks Groot Bretagne heet). De liederen gaan over liefde en ridderlijkheid en hebben vaak Keltische sprookjesmotieven. Ook de legenden van Koning Arthur spelen een rol.

Lais werden vaak gezongen door Bretonse troubadours en minstrelen zoals Chrétien de Troyes. Guilaume de Machaut (begin 14de eeuw) componeerde 19 lais.

Madrigaal:      vier- tot zesstemmige meest polyfone compositie met een absoluut wereldlijke tekst. In de praktijk betekent dat meestal veel liefdesverdriet en zo. Madrigalen waren in de 16de en 17de eeuw buitengewoon populair. Beroemde componisten waren Gesualdo en Monteverdi. Monteverdi laat bij de madrigalen op den duur ook basso continuo en instrumenten meespelen. Een Nederlandse componist van madrigalen was Jan Pieterszoon Sweelinck. Na de opkomst van de groots opgezette opera na 1600 raakte het madrigaal in onbruik.

Magnificat:      De lofzang van Maria, te vinden in het evangelie volgens Lucas, 1:46-55. De eerste woorden in de kerktaal Latijn zijn:  Magnificat anima mea Dominum, (mijn ziel verheerlijkt de Heer), die Maria liet klinken bij haar bezoek aan haar nicht Elisabeth terwijl ze in verwachting was van Jezus Christus.

Het Magnificat is duizenden malen door allerlei componisten op muziek gezet.

Bekendste Magnificats zijn die van Claudio Monteverdi, Johann Sebastian Bach (BWV 243), Henry Purcell (Z231-1) en Antonio Vivaldi (RV 610a).

Masque:          maskerade of maskerspel:  toneel-, muziek- en dansspektakel in de 16de en 17e eeuw in aristocratische kringen in Engeland buitengewoon populair was. De oorsprong lag in de intermedia zoals die in Noord-Italië aan de hofhoudingen van adellijke families van bijvoorbeeld de Medici werden georganiseerd als opluistering voor feestelijkheden.

Het verhaal betrof allegorische onderwerpen die door leden van de aristocratie zelf zingend en dansend ten tonele werden gebracht. Het was de gewoonte dat een vorst met een uitvoerige masque verwelkomd werd. Midden 17e eeuw raakte de masque in de verdrukking door toedoen van de opera. In Engeland bevatten de eerste opera's nog vele elementen van de masque.

Een masque had  naast muziek en dans veel gesproken tekst, en legde de klemtoon op weelderige kostumering en elegante, sierlijke intermezzi. Ben Jonson was vermaard om zijn masques, componisten als Matthew Locke componeerden in de masque-stijl. Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw begonnen vorstelijke hofhoudingen de voorkeur aan opera te geven.  

Mis:                 is de naam van de Rooms Katholieke kerkdienst. Het woord 'mis' komt van het woord missa, een Latijns woord voor 'wegzending', en verwijst naar de woorden van de priester of diaken tegen het einde van de liturgie: Ite Missa Est ("Gaat, het is de heenzending" of "Gaat, het offer is voltrokken").

Wanneer de tekst van zo’n kerkdienst op muziek wordt gezet, en dat hebben nogal wat componisten in de loop der tijden gedaan, heet dat muziekstuk ook een “mis”. 

De missa brevis (korte mis) bestaat uit de misdelen met een vaste tekst: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus en Agnus Dei. In de missa longa (lange mis) zijn ook andere teksten opgenomen, zoals Introïtus, Graduale, Alleluia / Tractus / Sequentia, Offertorium  en Communio.

De Proprium Missae bestaat uit wisselende gezangen die bij gelegenheid kunnen worden  toegevoegd:  Introïtus · Graduale · Alleluia / Tractus / Sequentia · Offertorium · Communio

De Lutherse missen, die alléén bestaan uit een Kyrie en Gloria worden ook wel missa brevis genoemd. Zij zijn dan ook ècht kort. Johann Sebastian Bach schreef 4 zulke korte missen: BWV 233 – BWV 236

Zie ook Mis in A. Ontwikkelingen en Vormen tot zo’n 1500

Missa solemnis:

een feestelijke, plechtige mis, bestemd voor speciale gelegenheden: de ingebruikneming van een kerk of een ander met de kerk verbonden instituut. Onder meer Ludwig van Beethoven (opus 123, de bekendste missa solemnis), Wolfgang Amadeus Mozart,  Franz Schubert,  Charles Gounod en Hector Berlioz schreven een of meer missa solemnis. Er ook grote missen die de naam missa solemnis volledig verdiend zouden hebben, maar die toch gewoon “Mis”  heten. 

Motet:             een meestal korte meerstemmige polyfone compositie voor zangers zonder begeleiding. De stijl ervan is imiterend. Tekst is meestal in het Latijn en handelt over een geestelijk onderwerp. Een soort madrigaal, maar dan voor in de kerk. Vanaf de Middeleeuwen tot en met de 17de eeuw werden er door alle componisten veel motetten geschreven. Daarná werd in de kerk het motet vervangen door de cantate.

Musical:          voluit musical comedy. Een moderne vorm van theater, in de 20ste eeuw in Amerika ontstaan,  waarin amusement, tekst, muziek, dans en enscenering samengaan en waarin het showelement een belangrijke rol speelt. Moderne Engelse en Amerikaanse versie van de opera of operette. Hair was een flitsend voorbeeld van een Amerikaanse musical, Cats van een Engelse. In Nederland schreven Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink de eerste originele Nederlandstalige musicals, zoals “Heerlijk duurt het langst” (1965) en “En nu naar bed”. (1971).

Octonaire        een achtregelig (deel van een) gedicht, lied of psalm. In de Franse renaissance werd de octonaire een vorm van een moralistisch chanson. Octonaires werden op muziek gezet door Paschal de l'Estocart en Claude le Jeune.

Ode                 (Oud Grieks: ὠδὴ = zang) lofdicht of lofzang, gewijd aan een persoon of zaak. Odes zijn lovend en hoogdravend, de betrokkene kan geen kwaad doen.

Offertorium     (Latijn offerre =  "aanbieden") het gezang van het Proprium Missae dat gezongen wordt bij het gedeelte van de Mis waarin de priester de gaven van brood en de wijn aan God aanbiedt.

Opera:             een toneelwerk, van begin tot eind gezongen, voor solo­zang, koor en orkest. De muziek is zeker zo belangrijk als de tekst. Zang, instrumentale muziek, dichtkunst, acteerkunst, decorkunst, vaak ook danskunst, vormen de wezenlijke bestanddelen van deze kunstvorm.

De opera is uitgevonden in Italië, in Florence. De eerste opera: Euridice werd in 1600 gecomponeerd door Jacopo Peri. Voor het ontstaan en de ontwikkeling van de opera zie opera in B1. Ontwikkelingen en vormen ná ongeveer  1550. De vier meeste gespeelde opera's zijn "Carmen" 'van George Bizet; "La traviata" van Giuseppe Verdi; "De Zauberflöte" van Wolfgang Amadeus Mozart  en "Faust" van Charles Gounod.

Opera buffa:    Italiaanse, lichtere operavorm, met eigentijdse thematiek en vaak komische kanten.

Opera seria:    Italiaanse operavorm met ernstig karakter, heroïsche of mythologische thema's. Aria's verbonden door recitatieven. De Libretto's (tekstboekjes) in het Italiaans.

Opera semiseria:

Italiaanse operavorm met elementen van de opera seria en de opera buffa.  

Opéra comique:

18e-eeuwse Franse operavorm. In de 19e eeuw: gesproken dialoogvorm (geen recitatieven)         

Operette:         verwant aan de opera, maar lichtvoetiger van karakter op gemakkelijk aansprekende muziek.

Oratorium:       Een omvangrijk vocaal werk, meestal met geestelijke inhoud, voor orkest, zangsolisten en koor, waarbij een verteller, meestal een tenor, het verhaal in recitatieven vertelt. In tegenstelling tot een opera heeft een oratorium geen  decor en speciale kostuums en wordt er in een oratorium niet geacteerd. Het oratorium is in het midden van de 17de eeuw ontstaan in Rome. De eerste oratoria werden geschreven voor het “oratorio” (=gebedszaal) van de Chiesa Nuovo (= nieuwe kerk) in Rome.

Net als een opera begint een oratorium met een instrumentale ouverture. Daarna volgen aria’s, gezongen door verschillende solisten, koren, en recitatieven, waarin het verhaal wordt verteld of toegelicht.

Het bekendste oratorium is de “Messiah” van Händel, met het beroemde Halleluja koor.

Parodiemis:    een muzikale zetting van een mis, waarbij gebruik wordt gemaakt van één of meer stemmen van een bestaand muziekstuk, zoals een fragment van een motet of chanson. Die cantus firmus is vaak aan het Gregoriaans ontleend, maar ook vaak een wereldlijk, soms erg ondeugend liedje. De eerste componist die in de vijftiende eeuw met parodiemissen begint is Guillaume Dufay.

De parodiemis krijgt dan ook de naam mee van het gebruikte fragment, bijvoorbeeld de Missa 'Malheur me bat', de Missa 'Mater Patris', en de Missa 'Fortuna desperata', van Josquin Desprez of de Missa 'Mille Regretz'  van Christóbal de Morales , die daarin het motet 'Mille Regretz' van Desprez gebruikt.

part song:       (ook part-song of  partsong) vorm van koormuziek, doorgaans vierstemmig wereldlijk lied, homofoon, waaarbij de bovenstem de melodie zingt en de andere stemmen begeleidende harmonieën. Meestal wordt een partsong onbegeleid door een instrument gezongen. Partsongs werden in Engeland gecomponeerd vanaf de 17de eeuw tot op de dag van vandaag door de meeste Engelse componisten.    

Passie:            Oratorium met het lijden en sterven van Christus als onderwerp, bedoeld om op Goede Vrijdag uit te voeren.

De bekendste passie is de Matteüspassie  van Johann Sebastian Bach

Pasticcio:        Italiaans operagenre, dat letterlijk pastei betekent. Deze typische 18e-eeuwse operavorm, is samengesteld uit aria's, ensembles en instrumentale stukken, afkomstig van de zarzuela. De delen zijn vaak van verschillende componisten ovf samengesteld uit delen van eerdere werken van  de componist.

pastourelle:    Oud-Franse verhalende dichtvorm uit de 12de en 13de eeuw doorgaans over romances met herderinnen met vaak nogal wat sexuele annotaties. Patourelles werden gebruikt door de rondtrekkende troubadours. Voorbeelden zijn de dichter Marcabru (omstreeks 1140; 45 gedichten) en de verzameling Carmina Burana,  omstreeks 1230.

Pseudomonodie

komt voort uit het meerstemmige madrigaal. In het meerstemmige madrigaal zongen meerdere zangers de tekst door elkaar. Om de verstaanbaarbaarheid te bevorderen, werden aan het eind van de 16de eeuw de zangstemmen vervangen door instrumenten, waarbij er één zangstem overbleef, die kon je tenminste verstaan. Een pseudomonodie is dus 1 zangstem met begeleiding van 1 tot vijf instrumenten. Dus niet echt éénstemmig, vandaar het pseudo.

 

Quodlibet:       een meerstemmige compositie waarin de componist verschillende deeltjes van bekende melodietjes of liederen verwerkt. Dat kan gelijktijdig of na elkaar zijn. Er zijn vocale quodlibets (die al voorkwamen in motetten) en instrumentale quodlibets.

Bach verwerkte bijvoorbeeld de volksliederen “Ich bin so lange nicht bei dir gewesen en “'Kraut und Rüben” in zijn laatste Goldberg-variatie voor klavecimbel.

In Frankrijk werden dergelijke liederen ook "fricassée" genoemd, waarbij er voorbeelden zijn van "fricassées" die in alle stempartijen verschillende teksten hebben staan.

De term quodlibet werd voor het eerst In 1544 gebruikte door ene W. Schmetzl

 

Radio-opera:   operagenre dat vanaf  1920  met de opkomst van de radio, speciaal hiervoor gecomponeerd werd

Recitatief:       in opera of oratorium een wijze van tekstvoordracht die het midden houdt tussen vertellen en zingen. De eenvoudige melodische gang en het ritme richten zich geheel naar de tekst. Vaak gaat het recitatief vooraf aan de aria.

Requiem:        een mis die in de katholieke eredienst wordt opgedragen voor de doden. Veel componisten hebben op de originele Latijnse tekst een requiem geschreven. Het beroemdste requiem is dat van Mozart.

Rockopera:     Moderne opera op rockmuziek, vergelijkbaar met de musical; eerste rockopera: Tommy van "The Who", 1969.

rotrouenge:     (Oud Frans) of retroencha (Oud Occitaans), verhalende dichtvorm uit de 12de en 13de eeuw, drie tot vijf strofen met een refrein. Er zijn tien bewaard gebleven troubadoursgedichten met de aanduiding  rotrouenge.

seguidilla        (verkleinwoord van seguida; “volgend”) een snel Castilliaans volkslied in driekwartsmaat en bestrat vaak uit instrumentale en vocale gedeeltes met een bijbehorende dans. 

Seguidilla’s komen als aria’s in opera’s (Carmen van  Georges Bizet;  Il barbiere di Siviglia. van Paisiello) en in zarzuela’s (veel bij José de Nebra) voor. 

Semi-opera:     vorm van muziektheater die in de late 17de eeuw in Engeland populair was. De semi-opera werd ontwikkeld  uit de masque: een zang- en dansspektakel dat in 17de eeuw de standaard vormde op het Engelse toneel, maar dat rond 1660 concurrentie kreeg van de opera.

Het Engelse publiek uit die tijd was niet gewend aan een  volledig gezongen opera met gezongen  recitatieven zij zagen liever een afwisseling van lied en dramatische gesproken dialoog, zodat het verhaal zich vlot kon ontrollen.

Om het conservatieve Engelse publiek niet te verliezen, componeerden schrijvers en componisten uit de late 17de eeuw daarom  compromisvorm: de semi-opera is gaan noemen. De belangrijke dramatische actie werd gezongen, terwijl het 'opvulsel' zoals voorheen gesproken werd. De belangrijkste werken in het genre zijn die van Henry  Purcell, die tussen 1690 en 1695 vijf semi-opera's componeerde.

Sepolcro:         vorm van religieus muziektheater ontwikkeld in Wenen in de tweede helft van de 17de eeuw. De muzikale eenakters waren gewoonlijk gebaseerd op het lijdensverhaal van Jezus en werden in de Heilige Week voor Pasen uitgevoerd in een van de hofkerken. Een bekende sepolcro is  'Stärcke der Lieb'  van Schmelzer

Singspiel:        Duits opera-genre dat in de late achttiende en in het begin van de negentiende eeuw populair was

Spiritual:         het geestelijke lied van de Noord-Amerikaanse negers. De slaven vonden door middel van het zingen van  Negro spirituals troost voor de situatie waarin zij leefden. De Negro spiritual is religieus van aard en heeft wat weg van gospelmuziek.

De religieuze zang van de zwarte bevolking in de V.S. ontstond doordat men in de 18de eeuw in aanraking kwam met het christendom. Dit lied, dat buiten de liturgie om gaat en oorspronkelijk zonder instrumentale begeleiding werd gezongen, werd als een soort rondedans ondersteund door geklap met de handen en gestamp met de voeten. Vooral het gebruik van syncopen is kenmerkend voor de negro spiritual. Een bekende spiritualzangeres was Mahalia Jackson.

Tragédie- Lyrique:

Franse operavorm uit de 17e en 18e eeuw, gebaseerd op mythologische onderwerpen

Turba (meervoud Turbae)

koorzang in oratoria, passies en andere geestelijke muziek waarbij het koor de rol van een groep mensen zingt. In een Turba vormt de koorzang dus onderdeel van het verhaal.

Turba-koren komen bijvoorbeeld voor in de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach wanneer het koor in een scene de rol van een groep joodse omstanders, priesters, Romeinse soldaten of discipelen zingt. In de Matthäus-Passion bijvoorbeeld wanneer de hogepriesters en schriftgeleerden het volk opdraaien Jezus te laten kruisigen: Laß ihn kreuzigen!

Villancico:       vanaf de dertiende eeuw een  lied waarvan de tekst oorspronkelijk verwees naar het Kerstfeest: villancicos de Navidad  In Spanje werd langzamerhand het woord villancico niet alleen gebruikt voor  het volkse kerstlied, maar ook voor muziekstukken die van die melodieën werden afgeleid. In de Renaissance (15de eeuw en 16de eeuw) onderging het villancico een gedaantewisseling naar eenstemmige liederen met begeleiding van vihuela of drie- of vierstemmige motetten. Het wereldlijke evenbeeld werd tono humano of gewoon tono (deun) genoemd. In Spanje, Portugal (dat tot 1640 Spaans was) en de koloniën werden de villancico's belangrijker dan het motet. De catalogus van de muziekverzameling van koning João IV van Portugal vermeldt 2309 villancico’s. De refreinliederen konden alle mogelijke dagelijkse thema's tot onderwerp hebben, van de liefde of het gebrek eraan tot politieke ontboezemingen.  

Virelai of virelay

Oudfranse dichtvorm met twee rijmklanken en korte vorm (twee à drie coupletten). De dichtvorm werd veel gebruikt in middeleeuwse (dans)muziek en poëzie. De liedvorm van een virelai is ABB'A, waarbij A en B verschillen in melodie, en B' een op B rijmende tekst heeft.

Vanaf eind 13e eeuw tot eind 15e eeuw de meest algemene dichtvorm in de Europese muziek. In de tweede helft van de 15e eeuw werd het weinig meer in muziek gebruikt, maar geschreven als poëzie.

Virelai is een van de drie zogenaamde formes fixes uit de Middeleeuwse muziek (de andere twee waren de ballade en de rondeau). Er wordt onderscheid gemaakt tussen virelai ancien (oude stijl) en virelai nouveau (nieuwe stijl).

In virelai nouveau worden maar twee rijmklanken gebruikt. Het gedicht opent met een rijmend couplet en eindigt met dezelfde twee regels, in omgedraaide volgorde.

Bekende componisten van virelais waren de troubadour Guillaume de Machau7), die ook zijn eigen verzen schreef en Guillaume Dufay (1400 - 1474).

Vocalise:         Zangoefening: een etude voor zangers.

Zarzuela:         een traditionele Spaanse variant van de operette en/of opera.