Componisten

vanaf 1700

 

 

Michel Blavet (Besançon, 13 maart 1700 Parijs, 28 oktober 1768) stond al in zijn jonge jaren bekend als de "beste Franse fluitist". Blavet was beroemd om zijn vlekkeloze intonatie, ook in moeilijke toonsoorten, en vanwege de schoonheid van zijn toon.

Toen hij 23 was kreeg hij een betrekking bij de graaf van Lévis in Parijs. In 1726 kwam hij in dienst bij de graaf van Carignan voor wie hij zijn eerste compositie schreef. Het zelfde jaar raakte hij bevriend met de beroemde fluitist Johann Joachim Quantz.

Tegen 1732 kwam hij in dienst bij de graaf van Clermont, grootmeester van de orde van de Franc-Maçons, waar hij tot zijn dood in 1768 zou blijven. In 1738 werd hij ook lid van de koninklijke kapel van Lodewijk XV in Versailles (Musique du Roi), en in  1740 werd hij lid van het orkest van de Parijse Opera.

Michel Blavet componeerde

     4 opera's:

- Le jaloux corrigé (1752), de enige die bewaard is gebleven, en de eerste Franse komische opera.

     concert a kleine terts voor fluit en strijkers

     6 sonates voor twee fluiten zonder bas, op. 1 (1728);

     6 sonates voor fluit en basso continuo (sonates mêlées de pièces pour la flûte traversière avec la basse), op. 2 (1731),

     Derde sonateboek: Sonates pour la flûte traversière avec basse (1740);

 

Giuseppe Sellitto (Sellitti) (Napels, Italië, 22 maart 1700 – 23 augustus 1777), componist en organist in Napels, en gedurende korte periodes in Bologna (1732), Venezië (1733), Rome (1742) en Florence (1765). In 1760 werd Giuseppe Sellitto benoemd tot organist en zangmeester van de Chiesa di San Giacomo degli Spagnuoli (Kerk van Sint Jacob van de Spanjaarden) in Napels.

Giuseppe Sellitto componeerde

     20 opera’s

- La vedova ingegnosa ossia il medico ignorante, intermezzo (komisch operaatje als pauzeopvulling tijdensn een serieuze opera), libretto Tommaso Mariani,  12 juli 1735. Intriges en hilarische liefdesverwikkelingen rond de wakkere weduwe Drussila (sopraan), die domme dokter Strabone (bas) te slim af is.

     12 aria’s

     2 cantates

 

Sebastian Bodinus (Bittstädt, Hertogdom Sachsen-Gotha, Duitsland, 4 oktober 1700 – 19 maart 1759) was de zoon van schoolmeester Johann Nicolaus Bodinus en Anna Elisabeth Eschner. Zijn vader stierf op 33-jarige leeftijd in 1700; Sebastian bleef met zijn moeder en zijn drie oudere broertjes in het geboortehuis wonen. Sebastian Bodinus werd na zijn basisschooltijd opgeleid als violist. 15 juli1718 kwam hij als muzikant en lakei in dienst van markgraaf Karl III van Baden-Durlach aan het hof in Karlsruhe. Van 1724 tot 1728 was Sebastian Bodinus concertmeester aan het hof van Hertog Eberhard Ludwig von Württemberg in Stuttgart. In 1728 kwam hij weer in Karlsruhe terug, toen bij markgraaf Carl Wilhelm en werd daar ook concertmeester.

Sebastian Bodinus trouwde met zangeres Anna Margaretha. 24 november 1730 werd zijn dochter Wilhemine gedoopt, waarbij kapelmeester Johann Melchior Molter peter was. Sebastian Bodinus en Johann Melchior Molter waren hun leven lang bevriend. 

Na de dood van markgraaf Carl Wilhelm in mei 1738 werd de hofkapel ontmanteld. Sebastian Bodinus werd ontslagen, maar kreeg wel een soort wachtgeld. Tot 1747 voorzag hij verder in zijn onderhoud als muziekleraar. In 1747 was de toestand aan het hof zodanig hersteld dat markgraaf Carl Friedrich hem voor 300 gulden jaarlijks weer als concertmeester in dienst nam.

In 1752 verliet Sebastian Bodinus om onbekende redenen Karlsruhe en zijn gezin, en kwam helemaal in de war in 1758 terug, zodat hij in een inrichting (“gekkenhuis”) in Pforzheim moest worden opgenomen, waar hij overleed.

Sebastian Bodinus componeerde

     6 symfonieën

     17 concerten

     1 ouverture

     6 delen “Musicalische Divertissements” (30 triosonates en 6 kwartetsonates, voor 3 en 4 instrumenten)

- Deel 4: XII Sonaten voor voor hobo, viool, dwarsfluit en cembalo of violoncello;

w Sonate I - VI voor twee violen en basso continuo

w Sonate VII - XII voor dwarsfluit, viool en basso continuo

- Deel 5 en: 6 quadrosonaten

w 2 quadro-sonaten voor viool, fluit, hoorn en basso continuo

w 2 kwartetten voor viool, 2 fluiten en basso continuo

w 2 kwartetten voor fluit, viool, altviool en basso continuo

     18 triosonaten

     8 quadri voor verschillende bezettingen

     45 sonaten voor verschillende bezettingen (waarvan 33 nog in handschrift, niet uitgegeven) 

- Autograph Bodinus (Universiteitsbibliotheek Rostock Mus.Saec XVIII.18-51.19): sonates voor gamba en basso continuo.

 

Domenico Dall'Oglio (Padua, Italië, omstreeks 1700 – Narva, Estland, 1764) was waarschijnlijk een leerling van Giuseppe Tartini ná 1721. In 1732 werd Domenico Dall'Oglio benoemd tot violist aan de Basiliek van Sant'Antonio in Padua. In 1735 ging hij met zijn broer, cellist Giuseppe naar Rusland. De beide broers bleven 29 jaar in dienst van het Keizerlijke hof. Domenico Dall'Oglio werkte er behalve als virtuoze violist en als componist ook als instrumentenbouwer. Vanaf 1762 was hij regelmatig concertmeester van het hoforkest. Op zijn terugreis naar Italië kwam hij om het leven in Estland.

Domenico Dall'Oglio componeerde

     3 theatermuziekwerken

- La Russia afflitta (het aangeslagen Rusland ), proloog ("De miei figli") en intermezzo’s voor Tito Vespasiano (La clemenza di Tito) van Johann Adolf Hasse, ter gelegenheid van de de kroning van tsarina Elisabeth I in Sint Petersburg in 1742, gecomponeerd samen met Luigi Madonis

     2 balletten

     40 sonates voor strijker(s) en klavecimbel of basso continuo

     8 sinfonia’s

     17 vioolconcerten

 

Daniel Magnus Gronau (??, omstreeks 1700 – Danzig (Gdánsk) 2 februari 1747) was van 1717 tot 1719 de vaste bespeler van het orgel in de Poolse St. Annakapel te Danzig. De volgende vijf jaar was hij organist van de St. Catherinakerk. Van 1724 tot 1730 was hij aan de St.Maria basiliek verbonden. De laatste zeventien jaar van zijn leven speelde hij in de St. Johann, voor een buitengewoon hoog salaris. Al deze kerken stonden in Danzig. Daniel Magnus Gronau is zijn hele leven ongetrouwd gebleven. Friedrich Gottlieb Gleimann volgde hem als organist van de St. Johann op.

Daniel Magnus Gronau componeerde

     600 orgelwerken, die vrijwel allen in de Tweede Wereldoorlog verloren zijn gegaan.

- 6 koraalvariaties zijn behouden.  

 

Giovanni Battista Sammartini (Samartini, Martini, San Martini en San Martino, bijnaam Il Milano) (Milaan, toen Oostenrijk, nu Italië, omstreeks 1700 – 15 januari 1775) was de zevende van acht kinderen van de Franse emigrant en hoboïst Alexis Saint-Martin, die in Milaan als Alessio Sammartini bekend was, en Gerolama de Federici, afkomstig uit een Milanese hoboïsten-familie. Hoboïst en componist Giuseppe Sammartini (1695-1750) was een oudere broer van hem.

Giovanni Battista Sammartini kreeg zijn muzikale opleiding van zijn vader. Hij was vanaf 1725 organist bij de karmelieten, en vanaf 1728 maestro di cappella aan de Basiliek Sant’Ambrogio en bij de Congregatie van het Heilige graf van onze Heer Jezus Christus aan de jezuïeten-kerk San Fedele te Milaan. Hij werkte vanaf 1730 steeds aan meerdere kerken (tot elf aan toe) in Milaan tegelijk en dirigeerde daarnaast ook nog het orkest van graaf Leopold Anton Eleutherius von Firmian.

Giovanni Battista Sammartini was een gewaardeerde muziekleraar. Van 1736 tot 1741 was hij docent van Christoph Willibald Gluck. Van 1755 tot 1762 gaf hij les aan Johann Christian Bach, die toen in Milaan verbleef. In 1765 speelde Luigi Boccherini in zijn orkest. Aan het einde van zijn leven maakte hij in 1770 het optreden van Wolfgang Amadeus Mozart in Milaan mee. Giovanni Battista Sammartini was een van de eerste componisten die de symfonie een zelfstandige plaats op het podium gaf. Hij behoorde ook tot de eerste componisten die strijkkwartetten en -kwintetten componeerden. Hij overleed onverwacht in 1775 op 74-jarige leeftijd. Zijn werk werd meteen volledig vergeten en pas in 1913 door de musicologen Fausto Torrefranca, Georges de Saint-Foix en Gaetano Cesari herontdekt.

Giovanni Battista Sammartini componeerde

     4 opera’s

     5 balletten

     1 oratorium

     8 cantates

     16 andere religieuze motetten en werken

     78 symfonieën

     11 concerten

     15 andere orkestwerken

     6 strijkkwintetten

     27 kwartetsonates en strijkkwartetten

     177 triosonates en strijktrio’s

- Six sonatas For a German Flute and Violin With a Thorough Baß for the Harpsichord, 1762

     11 aria’s en vocale ensemblestukken

     50 solosonates voor een instrument en basso continuo en voor klavecimbel

 

Nicola (Nicolò) Fiorenza (Napels, ná 1700 - 13 April 1764) werd opgeleid aan het conservatorium Santa Maria di Loreto. In 1726 was Nicola Fiorenza cellist in het Napelse hoforkest. Later kreeg hij een vaste baan als violist. Vanaf 1758 was Nicola Fiorenza concertmeester van het Koninklijk  Hoforkest.

Vanaf 1743 was Nicola Fiorenza hoofd van de strijkklassen van het conservatorium Conservatorio Santa Maria di Loreto, dat onder de leiding stond van Francesco Durante. Hij werd daar in 1762 ontslagen na klachten over het slaan en bedreigen van studenten.

Nicola Fiorenza componeerde 30 werken:

     vioolsonates

     triosonates,

     9 symphonia’s voor strijkers

- sinfonia a quattro violini e basso continuo, je blijft er naar luisteren; de fraaiste melodielijnen;

     15 concerten voor verschillende instrumenten.

- concerto per violoncello ed archi

- 4 blokfluitconcerten

+ Concerto f kleine terts, voor altblokfluit, soloviool, strijkers en basso continuo,1728

 

Giacomo Sellitto (Napels, 28 juli 1701 – 20 november 1763) was een jongere broer van componist Giuseppe Sellitto. Giacomo Sellito was zangleraar en in dienst als maestro di cappella bij het Collegio dei Nobili in Napels.

Giacomo Sellitto componeerde

     1 opera

     1 muziektragedie

     1 Stabat Mater voor 4 stemmen, viool, altviool en basso continuo, klein meesterwerk.

     1 aria voor sopraan en strijkers

     72 fuga’s voor klavecimbel

 

Giovanni Battista (Juan Bautista) Mele (Napels, Italië 1701 of 1703/4 - na 1752) studeerde vanaf 25 november 1710 aan het „Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo“, bij Gaetano Greco en vanaf zijn 12de jaar bij Leonardo Vinci.

Vanaf 1735 werkte Giovanni Battista Mele in Madrid, waar hij samen met Francesco Corradini (omstreeks1690-1769) en Francesco Corselli toneelmuziekwerken in Italiaanse stijl schreef voor de Madrileense theaters. Giovanni Battista Mele werkte ook aan het hof van de Spaanse koning Philips V. In 1752 kreeg Giovanni Battista Mele van de koning verlof om terug te gaan naar Napels.

Giovanni Battista Mele componeerde

     6 opera’s

     4 serenata’s

     1 blokfluitconcerto

 

José Melchor Baltasar Gaspar (de) Nebra Blasco (Calatayud, Spanje, 6 januari 1702 – Madrid, 11 juli 1768) werd opgeleid door zijn vader, José Antonio Nebra Mezquita (1672–1748), organist en jongenskoormeester aan de kathedraal van Cuenca  van 1711-1729. In 1724 werd hij organist aan de koninklijke kapel in Madrid; in 1751 vicemaestro en hoofdassistent van de koorschool.

José de Nebra componeerde

     5 Spaanse opera’s

- Amor aumenta el valor, opera in een proloog en drie bedrijven, 1728, libretto José de Cañizares. Verhaal over het jonge echtpaar Fernando de Bourbon en   Maria Bárbara de Branganza, die zo lelijk was, dat de bruidegom bij haar eerste aanblijk terugdeinsde. Geschreven (alleen het tweede bdedrijf) samen met de Italiaanse componisten Giacomo Facco (proloog en 1ste bedrijf) en  Philipo Falconi (derde bedrijf).

     9 zarzuela’s

- Vendado amor es, no es ciego, 1744, met tempestad grande amigo, fandango voor 3 stemmen en strijkers

- Iphigenia en Tracia,  1747, zarzuela met de duur van twee avonden, groot orkest, de zangeressen nemen zelf de castagnetten ter hand

     missen

     1 requiem, gecomponeerd voor de begrafenis van koningin Maria Barbara van Braganza in 1758, en daarna nog decennialang bij koninklijke begrafenissen uitgevoerd.

     psalmen

     litanieën

     Stabat Mater

     Salve Regina

     Miserere

     cantatas,

     villancicos

     30 klavecimbelwerken

 

Jean-Pierre Guignon, geboren Giovanni Pietro Ghignone (Turijn, 10 februari 1702 – Versailles, 30 januari 1774), was leerling van Giovanni Battista Somis. Hij werd musicus in de kapel van de prins van Savoyen-Carignan in 1730, en in 1733 ook in de chapelle royale, waar hij bleef tot zijn pensioen in 1762. Hij was een vervelend mannetje dat in 1735 Jean-Jacques-Baptiste Anet wegpestte uit de chapelle royale en waardoor Jean Marie Leclair ontslag nam en zich in de Noordelijke Nederlanden ging vestigen.

Jean-Pierre Guignon componeerde,

     18 Duos (opus II, III en VII),

     18 Sonates pour violon ou violoncelle avec basso continue (opus I en VI)

     12 Sonate en trio (opus IV en V)

 

Joseph-Hector Fiocco (Brussel, 20 januari 1703 – 21 juni 1741) Fiocco was het achtste kind van Pietro Antonio Fiocco en Jeanne Françoise Deudon. Hij kreeg zijn muzieklessen van zijn vader en zijn oudere halfbroer Jean-Joseph. Hij ging aan het werk in de hertogelijke kapel onder leiding van zijn broer en werd daar in 1729 tweede kapelmeester. In 1726 trouwde hij met Marie Caroline Dujardin. Ze kregen twee kinderen. In 1731 werd Joseph-Hector Fiocco violist en koorleider in de kathedraal van Antwerpen als opvolger van Willem De Fesch. Hij was er ook leraar Grieks en Latijn. In 1737 kwam hij terug naar Brussel, waar hij ging werken in de Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele als opvolger van Petrus Hercules Brehy. Joseph-Hector Fiocco stierf onverwacht op 38-jarige leeftijd.

Joseph-Hector Fiocco componeerde

     3 missen

     22 motetten

     9 leçons de ténèbre voor de week voor Pasen 

- Lamentationes hebdomadae sanctae, grote rol voor de obligat cello's

     24 klavecimbelwerken  

- Pieces de Clavecin, opus 1, 1730

Suite nr. 1, deze suite bevat een Allegro, dat in boekje 6 van het Suzuki vioolrepertoire is bewerkt voor viool en piano en daardoor tamelijk bekend geworden. Er is een arrangement voor strijkkwartet van gemaakt, dat nogal eens op bruiloften wordt uitgevoerd.

 

Dieudonné (de) Raick (Raijck) (Luik, gedoopt 1  maart 1703 – Antwerpen, 30 november 1764) werd in 1717 koorknaap aan de kathedraal van Antwerpen en kreeg daar ook klavecimbelles. Op 11 oktober 1721 volgde hij de organist op. In 1726 werd hij gewijd als priester. Van 1726 tot 1741 wa hij organist aan de Pieterskerk in Leuven. Ondertussen was hij ook doctor in burgerlijk-  en kerkrecht geworden. In 1741 werd hij organist aan de Sint Bavo in Gent en in 1757 kwam hij weer terug als organist van de kathedraal van Antwerpen, wat hij tot zijn dood bleef.

Dieudonné Raick componeerde

     21 klavecimbelsuites

     3 klavecimbelsonates

 

René Drouard de Bousset (Parijs, 11 september 1703 – 19 mei 1760) was de zoon van Jean-Baptiste Drouard de Bousset (1662 - 1725), lagere edele en maître de musique van de Louvre kapel. René de Bousset wilde eerst kunstschilder worden, maar stapte over naar de muziek en studeerde muziekleer bij Nicolas Bernier en orgel bij Calvière. Hij was organist van de Saint-André-des-Arts in Parijs, en co-organist, samen met Armand-Louis Couperin aan de Notre Dame en de kerk van Saint-Merri in Parijs van 1755 to 1760. René de Bousset was in theologisch opzicht een Jansenist en schreef een serie artikelen over cantates over Bijbelse onderwerpen. Hij overleed aan acute verlammingsverschijnselen na dat hij een kerkdienst op orgel had begeleid.

René de Bousset componeerde

     - 8 odes van J. B Rousseau naar aanleiding van Psalmsteksten, op muziek gezet voor twee stemmen en basso, 1744

     2 delen Cantates Spirituelles, 1735, 1740

- Judith 

- Le naufrage du Pharaon

     2 boeken liederen, 1731

 

     6 trioconcerten, 1736

 

Johann Gottlieb Graun (Wahrenbrück, Brandenburg, 28 oktober 1703 - Berlijn, 27 oktober} was de zoon van een belastingambtenaar. In 1771 begon hij een opleiding als zanger in Dresden en nam les bij Johann Georg Pisendel. In 1723 trok Graun naar Praag om viool te studeren bij Giuseppe Tartini. In 1726 werd Johann Gottlieb Graun aangesteld als concertmeester in Merseburg. Daar gaf hij onder meer Wilhelm Friedemann Bach vioolles.  In 1732 kwam Johann Gottlieb net als zijn broer Carl Heinrich in dienst bij kroonprins Frederik de Grote van Pruisen. Achtereenvolgens in Neuruppin, Rheinsberg en Berlijn was hij vanaf 1740 tot zijn dood concertmeester van het hoforkest.

Christoph Henzel heeft in 2006 een Graun-WV opgesteld van de werken van de broers Johann Gottlieb en Carl Heinrich Graun. De aanduiding "WilG" zijn uit een studie van Monika Willer, 1995.

Johann Gottlieb Graun componeerde  

     10 cantates

     1 mis

     1 passion

     17 ouvertures

- Ouverture und Allegro, GraunWV A:XI:2

     98 sinfonia’s

     136 concerten

- Concerto in G grote terts voor viola da gamba, strijkers en continuo

- Dubbelconcert in c kleine terts voor viool en altviool of viola da gamba, strijkers en basso continuo, GWV A:XIII:3 

- Dubbelconcert in C grote terts voor blokfluit, viool, strijkers en basso continuo, WilG 3, GWV C:XIII:96, 1760

- Concerto in D grote terts voor traverso, twee violen en basso continuo, GWV C:XIII:127, mooi concert

- Concerto in A grote terts voor twee klavecimbels, GWV C:XIII:90, tweede deel Andante, klein wereldwondertje van subtiliteit

     8 kwartetten,

     54 triosonates zeker, 51 triosonates zijn òf van Carl Heinrich òf van Johann Gottlieb

- Trio Sonata in G grote terts, voor 2 fluiten en basso continuo, GraunWV C:XV:115

     24 sonates

     10 liederen.

 

Carl Heinrich Graun (Wahrenbrück, 7 mei 1704 - Berlijn, 8 augustus 1759) was de zoon van een belastingambtenaar. Hij studeerde aan de Kreuzschule te Dresden zang, orgel en compositie.

Carl Heinrich Graun kwam in 1724 als operazanger (tenor)  te Brunswijk en werd er al spoedig aangesteld als onderkapelmeester en componist. In Brunswijk leerde hij Frederik de Grote kennen, die onder de indruk was van zijn werk, uitgevoerd bij het huwelijk van de kroonprins en Elisabeth Christine in 1733. Toen Ludwig Rudolf, de hertog van Brunswijk in 1735 stierf, reisde Graun naar Rheinsberg. Bij zijn aantreden als koning benoemde Frederik de Grote hem in 1740 tot kapelmeester van de nieuw te bouwen opera in Berlijn, tegenwoordig Unter den Linden. Graun werd naar Italië gezonden om zangers te engageren.

Tot aan zijn dood heeft Carl Heinrich Graun in Berlijn gewoond en gewerkt. Hij trouwde twee keer. Uit zijn eerste huwelijk had hij een dochter die zangeres werd, en uit zijn tweede huwelijk 4 zonen.

Christoph Henzel heeft een Graun-WV opgesteld van de werken van de broers Johann Gottlieb en Carl Heinrich Graun

Carl Heinrich Graun componeerde

     32 opera’s

- Iphigenia in Aulis,  opera in drie bedrijven, 1728

- Rodelinda, regina de'Langobardi, opera in drie bedrijven, 1741

- Cleopatra e Cesare, opera in drie bedrijven, 1742

- Ifigenia in Aulide, opera in drie bedrijven, 1748

- Il Mithridate, tragedia per musica in drie bedrijven, 1751

- Armida, opera in drie bedrijven, 1751

- Britannico, Tragedia per musica in 3 bedrijven, libretto Leopoldo de Villati (1701–1752) naar Brittanicus van Jean Racine, 1751. GraunWV B:I:24; Mooie halsbrekende coloratuuraria van Agrippina (mezzosopraan): “Mi paventi il figlio indegno”.

- L’Orfeo, tragedia per musica in drie bedrijven, 1752

- Silla, opera in drie bedrijven, 1753

- Montezuma, opera seria in drie bedrijven, libretto koning Frederik de Grote, in het Frans, vertaald door Giampetro Tagliazucchi in het Italiaans, 1755

     oratoria

- Der Tod Jesu, wordt nog steeds op Goede Vrijdag in Berlijn uitgevoerd.

- Osteroratorium, bloedstollende, emotionele aria’s en jubelende vreugdezangen

     Italiaanse cantates

     4 motetten

- Te Deum, 15 mei 1757, ter gelegenheid van het einde van de Zevenjarige Oorlog

     36 Duitse liederen

     35 sinfonia’s

     23 concerten

     2 kwintetten

     12 triosonates zeker, 51 triosonates zijn òf van Carl Heinrich òf van Johann Gottlieb

- Sonate in G grote terts voor twee fluiten en basso continuo

     2 sonates

     1 klavecimbelsonate

 

José António Carlos de Seixas (Coimbra, Portugal, 11 juni 1704 – Lissabon, 25 augustus 1742) was de zoon van de organist van de Drie-eenheidskerk in Coïmbra, Francisco Vaz en Marcelina Nunes. Hij werd opgeleid door zijn vader en nam diens positie als organist van de kerk Sé Velha de Coimbra over in 1718, toen hij veertien jaar oud was.

Twee jaar later verhuisde hij naar Lissabon, waar hij organist van de Koninklijke Kapel werd, en daarnaast organist bij de Kathedraal van Lissabon. Dat bleef hij de rest van zijn leven.

Carlos Seixas was bevriend met Domenico Scarlatti, die tussen 1720 en 1728 aan het Portugese hof hofcomponist was. Dom António, de broer van de koning, vroeg of de twintig jaar oudere Domenico Scarlatti aan Carlos Seixas geen klavecimbelles wilde geven. Domenico Scarlatti antwoordde dat hij er meer in zag om bij Seixas les te nemen.

In 1738 werd door koning John V van Portugal tot ridder geslagen, in hetzelfde jaar als Domenico Scarlatti, die daarvoor speciaal even overkwam uit Madrid, waar hij toen een functie had aan het Spaanse hof. Carlos Seixas overleed in 1742 aan acuut reuma in Lissabon. Hij liet een vrouw en vijf kinderen na. Al zijn manuscripten zijn verloren gegaan bij de grote aardbeving in Lissabon in 1755. Er is dus geen een autograaf van hemzelf overgebleven, al zijn bewaard gebleven werken zijn kopieën van leerlingen en liefhebbers. Van zijn 700 klavecimbelsontates zijn er maar 104 teruggevonden.

Carlos Seixas componeerde

     1 mis

     9 motetten

     1 ouverture

     1 symfonie

     1 klavecimbelconcert

     104 klavecimbelsonates

 

Giovanni Battista Costanzi (Rome, Italië, 3 september 1704 – 5 maart 1778) was een bekende virtuoze cellist, wat hem de bijnaam “Giovannino del Violoncello” (Jantje van de cello) bezorgde. In 1721, 17 jaar oud, kwam hij in dienst van kardinaal Pietro Ottoboni als kamerdienaar, en werd hij maestro di capella van de San Luigi dei Francesi, en in 1722 ook van de Congregazione di Santa Cecilia. Vanaf 1737 werd hij bij kardinaal Ottoboni opvolger van Arcangelo Corelli als “capo d’istrumenti“. Giovanni Battista Costanzi was maestro di capella aan een vijftal bekende kerken in Rome. In 1755 volgde hij Stefano Fabri op als maestro di cappella aan de Cappella Giulia in de Sint Pieters Basiliek in Rome. Hij was leraar van Luigi Boccherini.

Giovanni Battista Costanzi componeerde

     20 opera’s

     6 wereldlijke cantates

     28 oratoria en religieuze cantates, het meeste is verloren gegaan

     21 missen

     motetten en hymnes

     6 concerten en sinfonia’s voor cello en orkest

     7 cellosonates voor cello en basso continuo, virtuoos in de snelle deeltjes, mooi melodisch in de langzame.

     2 cellosonates voor 2 celli

 

František Ignác Antonín Tůma (Franz Seraf Ignaz Anton Tuma) (Kostelec nad Orlicí (Adlerkosteletz), Bohemen, 2 oktober 1704 – Leopoldstadt (nu:Wenen), 30 januari 1774) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, kerk-organist Václav Tůma. Daarna studeerde hij aan het Clementinum, een jezuïeten-seminarie in Praag. Hij was ook koorlid in Minorieten-kerk van St. Jakob in Praag waar hij zong onder leiding van Bohuslav Matěj Černohorský. Na zijn studie trok hij naar Wenen, waar hij in 1722 tweede kapelmeester werd.

In april 1729 kreeg hij daar een zoon.

Hij was kapelmeester van het hoforkest van graaf Franz Ferdinand Kinsky von Wchinitz en Tettau in Gambitz, Neder-Silesië. Met een studiebeurs van graaf Kinsky studeerde hij bij Johann Joseph Fux in Wenen contrapunt. In 1742 werd František Tůma kapelmeester in dienst van de weduwe van keizer Karel: Elisabeth Christine van Brunswijk-Wolfenbüttel. Daarna was hij ook nog kapelmeester bij keizerin Maria Theresia van Oostenrijk.

Na de dood van zijn vrouw, omstreeks 1768 trok František Tůma in het klooster van de premonstratenzers in Geras. Ziekte dwong hem terug keren naar Wenen, waar hij overleed in het klooster van de Genadige Broeders.

František Tůma componeerde

     45 orkestwerken.

     65 missen,

     5 Stabat Maters,

     29 psalmen

     20 litanieën,

     25 motetten

     13 Maria antofonen

     8 hymnen

     3 Magnificats

     3 Responsorieën

     8 kamermuziekwerken

     1 orgelwerk

 

Carlo Zuccari (Casalmaggiore, Italië, 10 november 1704 - 3 mei 1792) was de zoon van Domenico Zuccari en Maddalena Gazzi.

Hij begon zijn vioolstudie al jong bij bij priester Gaetano Guadagni. Op advies van zijn leraar ging hij naar Parma om verder te studeren. Daarna studeerde hij nog in Guastalla en in Bologna. In Cremona studeerde hij tenslotte bij componist Gasparo Visconti (1683-1731) en bij Giuseppe Gonelli. Gasparo Visconti, een rijk man, nam Zuccari in huis en behandelde hem als zijn eigen zoon.

In 1723 verhuisde Zuccari naar Wenen met zijn broer en een zekere Pertusati, een edelman in dienst van Oostenrijk. Vier jaar was hij in Olmuz kapelmeester. Na omzwervingen door verschillende Duitse steden keerde hij terug naar Cremona.

I in 1733 trouwde Carlo Zuccari met de Milanese edelvrouw en zangeres Francesca Radaelli, die hij via Gasparo Visconti had leren kennen. Tijdens zijn huwelijk verhuisde hij naar het huis van zijn schoonmoeder in Milaan. Daarna reisde hij naar Parijs en Londen. In heel Europa kreeg Zuccari de bijnaam Zuccherino, suikertje, vanwege zijn zwoele en zoete muziek. In 1736 keerde hij terug naar Milaan, waar hij zich definitief vestigde. Veertig jaar was Carlo Zuccari actief in de muziek in Milaan. Hij was directeur van de Accademia Filarmonica Milanese en vanaf 1748 lid van het Orchestra Ducale.

In 1760 reist Carlo Zuccari naar Londen, als lid van de Opera Italiana Orchestra. Hij zou hier 5 jaar blijven. In 1765 keerde hij naar Milaan als eerste violist bij het orkest van Sammartini.

In 1778 trok hij zich terug uit het muzikale leven van Milaan en keerde terug naar zijn geboortestad Casalmaggiore, vergezeld door zijn vrouw en vijf kinderen. In Casalmaggiore werd hij in nog leraar en hield hij zich bezig met wetenschappelijk onderzoek naar harmonie en akoestiek. Hij stierf in Casalmaggiore op 3 mei 1792.

Carlo Zuccari componeerde

     4 motetten

     4 vioolconcerten

     12 vioolsonates, opus 1, met smeltend betoverende adagio’s, 1747.

     1 fluitsonate

     1 sonate voor basgamba

     6 triosonates

     1 solo voor Viool en Basso

 

Giovanni Battista Pescetti (Venetië, Italië, omstreeks 1704 – 20 maart 1766) studeerde in Venetië een tijdje bij organist en componist Antonio Lotti. Hij sloot vriendschap met zijn medestudent Baldassare Galuppi, met wie hij samen een aantal opera’s schreef en reviseerde. In 1736 ging hij naar Londen en werd daar directeur van de Opera of the Nobility, opvolger van Nicola Porpora. Toen in 1745 tijdens de revolutie van Prins Charles een vijandige houding tegen Italiaanse Rooms-katholieken ontstond, verliet Giovanni Battista Pescetti Londen en ging terug naar Venetië. Hij werd daar tweede organist aan de San Marco basiliek en muziekleraar. Zijn bekendste studenten waren Josef Mysliveček en Antonio Salieri.

Giovanni Battista Pescetti componeerde

     15 opera’s

     7 pasticci

     1 oratorium

     kerkelijke werken

     4 orgelwerken

     11 klavecimbelsonates,

sonate in c kleine terts, 1739, gearrangeerd voor harp door Carlos Salzedo.