Componisten

vanaf 1655

 

Johann Friedrich Meister (Ebstorf, gedoopt 12. februari 1655 (?) ̶ Flensburg 28 oktober 1697) was vanaf 20 januari 1766 kapelmeester aan de hofkapel van hertog Ferdinand Albrecht I. von Braunschweig-Lüneburg in Schloss Bevern.

Na 1678 kreeg Johann Friedrich Meister een aanstelling bij de bisschop August Friedrich von Lübeck in Eutin. Vanaf 18 april 1683 werd Meister opvolger von Caspar Ferkelrath als organist aan de Marienkirche Flensburg. Hij moest de religieuze muziek daar vormgeven en het orgelspel verzorgen. Johann Friedrich Meister was bevriend met de hertogelijke familie in het nabij gelegen Schloss Glücksburg, waar hij zijn instrumentale muziek voor componeerde. Leden van de hertogelijke familie werden peet van Meisters twee kinderen.

Johann Friedrich Meister componeerde

     14 cantates

     1 treurmuziek

     12 triosonaten „Il Giardino del piacere“, 1695, meer "triosuites" met 6 tot 8 delen per "sonate", mooi onderhioudend werk..

 

Sébastien de Brossard (Dompierre, Orne, 12 September 1655 - ̶ Meaux 10 April 1730) studeerde muziek en verstigde zich in Parijs in 1678, waar hij tot 1687 bleef.

Hij was vast bevriend metÉtienne Loulié, die de Itaiaans geïnspireerde werken uitvoerde die Marc-Antoine Charpentier componeerde voor Marie de Lorraine, Duchess of Guise ("Mademoiselle de Guisse).

Brossard ontdekte de wezenlijke eigenschappen van de majeur- en mineurtoonladders. Brossard was een enthousiast liefhebber van Italiaanse muziek. Hij werd verzamelaar van muziekmanuscripten en verhandelingen over muziek.

In 1687 werd Brossard benoemd als vicaris van de kathedraal in Straatsburg. Hij bleef dat tot 1698. Hij richtte in 1687 Académie de Musique in Straatsburg op.

Zijn muziekbibliotheek nam legendarische vormen aan. Een collectie van 157 sonates draagt de naam Codex Rost Het is in een aantal gevallen de enige bron van werken van Duitse en Italiaanse componisten uit de 17de eeuw.

In 1698 werd Brossard benoemd tot kapelmeester van de kathedraal van Meaux. Hij bleef dat tot 1715. Na zijn “pensioen” werkte hij aan liturgische publicaties voor het diocees. Hij stierf in Meaux in 1730, op de leeftijd van 75 jaar.

Brossard schreef de eerste muziekencyclopedie in Frankrijk in 1703. Zijn muziekcatalogus, een manuscript van 393 bladzijden , begeleid door een alfabethische index van 253 bladzijden omvat een schat aan muzikale informatie. Het manuscript is nu ook in gedrukte vorm verkrijgbaar en wordt bewaard in de muziekafdeling van de Bibliothèque nationale de France.

Sébastien de Brossard componeerde

     2 oratoria

- Oratorio sopra l'Immaculata Conceptione della Beata Vergine voor vijf solisten, koor en orkest, met een symphonie infernale,  die Adam aankondigt . 

     50 motetten

- Stabat Mater, voor vijf stemmen

     8 cantates

     de Lamentations du prophète Jérémie (1721).

     zes boeken met serieuze verzen en drinkliederen.

     3 sinfonia's

     3 triosonates

     2 sonates voor viool en basso continuo

 

Pierre Bouteiller (omstreeks1655 - ̶ omstreeks1717) was maître de chapelle aan de kathedraal van Troyes van 1687 – 1694 en van 1697 – 1698. Daartussen was hij in dienst van de kathedraal van Châlons–sur-Marne. In 1698 wordt hij vermeld als violist en bespeler van andere instrumenten in Parijs

Pierre Bouteiller componeerde

     13 motetten

     een requiem

- Missa pro defunctis: Requiem pour Voix d'Hommes, lage bezetting met alleen mannenstemmen en strijhkorkest zonder violen, heel apart

 

Robert de Visée (omstreeks 1655– 1732/33) wordt voor het eerst genoemd in 1680 als kamermusicus van Lodewijk XIV. In het dagboek van de hertog van Dangeau (1686) staat opgetekend dat hij regelmatig in de avond naast het bed van de koning gitaar speelde. Tussen 1694 en 1705 gaf hij veel uitvoeringen aan het Franse hof, voornamelijk op avondjes van Madame de Maintenon, met de fluitisten Descoteaux en Philibert, de klavecinist Jean-Baptiste Buterne en de violist Antoine Forqueray.  In 1719 wordt hij vermeld als Maître de Guitare du Roi. Zijn zoon François volgt hem in 1721 in die positie op.

Robert de Visée  schreef

     12 suites voor gitaar

- Livre de guittarre dédié au roy, 1682, gestilleerde dansmuziek, buitengewoon fijnzinnig,

     enkele losse gitaarstukken, waarvan enkele bewerkingen uit het klavecimbelrepertoire van François Couperin.

- Les Sylvains

- La voluptueuse

     suites en werken  voor theorbe en luit

     een collectie ensemblestukken

- Livre de pièces pour la guitare, 1686, ná  bladzij 44 in een klavecimbelnotatie met een melodiestem en een becijferde bas, dus duidelijk voor fluit/hobo/viool en basso continuo.

 

 

Marin Marais (Parijs, 31 mei 1656 – Parijs, 15 augustus 1728) was de zoon van een schoenmaker. Hij werd koorknaap in het koor van Saint-Germain l’Auxerrois (1667) en ontmoette daar Michel-Richard Delalande, ook een koorknaap. Hij studeerde gamba bij Nicolas Hotman en bij gambist en componist Monsieur de Sainte-Colombe. Op 19-jarige leeftijd kwam hij in het Operaorkest Parijs. In 1679 werd hij aangesteld als 'Ordinaire de la chambre du roy pour la viole' (een soort huismeester voor viola da gamba in dienst van de koning) .In 1685 volgde een benoeming als gambasolist. Ook speelde hij  in het orkest van de Académie Royale de Musique, dat onder leiding stond van Lully.

Tot 1715 diende hij onder de Zonnekoning en tot 1725 onder Lodewijk XV. Marais was een belangrijke vertegenwoordiger van de Franse school van componisten voor viola da gamba en was zelf ook een uitstekend gambist

Marais trouwde een Parijse: Catherine d'Amicourt, op 21 september 1676. Ze kregen 19 kinderen. Een aantal daarvan zou later ook naam maken als musicus.

De film Tous les matins du monde, gaat over het leven van de Monsieur de Sainte-Colombe  en de interactie met Marais. Guillaume Depardieu speelt de jonge Marais, zijn vader Gérard speelt de oude Marais. De muziek wordt gespeeld door Jordi Savall.

Marin Marais componeerde

     4 opera's

- Alcide, 1693, in samenwerking met Louis Lully; Johann Sebastian Bach maakte een klavecimbelbewerking van de instrumentale delen;

- Alcyone, 1706, tragédie lyrique in 5 aktes met een proloog, libretto Antoine Houdar de la Motte

- Sémélé,  tragédie en musique met een proloog en vijf bedrijven, libretto Antoine Houdar de la Motte, 9 april 1709. Cadmus, de koning van Thebe (bariton) heeft zijn dochter Sémélé (sopraan) aan prins  Adraste (counter-tenor), maar Sémélé is verliefd op Jupiter (bariton), die haar het hof maakt in een veranderde vorm als Idas. Het spreekt dat Jupiters vrouw Juno (mezzosopraan) het daar niet mee eens is en wraak zoekt. Sémélé’s dienster Dorine (sopraan) en haar amant Arbate (een vermomming van Mercurius: bariton) spelen ook een rol.

     2 motetten

     2 series trio’s

- Pieces en trio pour les flutes, violon, et dessus de viole, avec la basse continue, 1692, 6 suites, opgedragen aan Marie-Anne Roland

+ suite 6  in c kleine terts voor 2 hoge instrumenten  en basso continuo, 8-delige suite

8. Passacaille La désolée (de ongelukkige), melancholisch

     596 "Pièces de viole', werken  in 5 boeken voor 1 tot 3 viola da gamba’s en basso continuo.

- Pièces à une et à deux violes, Premier livre,  1686, 93 stukken in 4 suites en een aantal losse werken voor één of twee gamba's, in 1689 voegde Marin Marais er basso continuopartijen aan toe. Nr. 66 tot 83: 18 pièces à deux Violes

+ Suite nr. 3 in D grote terts voor gamba en basso continuo, 23–delige suite nrs. 42 – 64

nr. 63 Les voix humaines

+ Suite à deux violes in G grote terts, 10–delige suite nrs. 73 – 82

nr. 73 Prélude, jaagt de rillingen over je rug

nr. 81 Fantaisie en écho, juweeltje in schijnbare eenvoud 

+ nr. 83 Tombeau de M. Meliton, indrukwekkend aangrijpend sluitstuk, waarin statigheid, rijke ornamentiek en ingetogenheid subliem versmelten.

+ nr. 92 Sujet Diversitez, thema en 20 variaties op een ostinate bas, interessant 

- Deuxième Livre de pièces de violes, 1701, 142 stukken

+ suite 1  in d kleine terts voor gamba en basso continuo, 20 stukken

nr. 20: Couplets de folies (Les folies d’Espagne)

+ suite in C grote terts

+ suite in e kleine terts met als laatste deel: Tombeau pour Monsieur de Sainte-Colombe, klaagzang over zijn leraar.

+ nr. 95: Tombeau pour Mr. de Lully

- Pièces de viole, Troisième livre, 1711, 132 stukken, verdeeld in 8 suiten

+ Suite 3 in F grote terts voor gamba en basso continuo

- Pièces à une et à trois violes, Quatrième livre, 1717, 109 stukken verdeeld in 9 suites

+ Suite nr. 7; Suitte d'un gout etranger, nrs. 55B-87), een suite voor viool en basso continuo, bestaand uit 33 nummers. De suite is berucht vanwege de technische en muzikale moeilijkheden

nr. 80 (26) L'Arabesque, virtuoos stuk met lastige akkoorden

nr. 82 (28) La Reveuse

- Pièces de viole, Cinquième livre, 1725,  110 stukken verdeeld in 7 suiten; CD Rainer Zipperling, Brilliant Classics 94646.

+ Suite 1 in a kleine terts; nr. 3 melancholische sarabande

+ Suite 2 in A grote terts; nr. 11 La Babillarde (de babbelkous) – ouble; karakterstuk

+ Suite 3 in F grote terts; nr. 11 Les Forgerons (de smeden); karakterstuk

+ Suite 4 in D grote terts; nr. 3 melancholische sarabande; nr. 11 Variation sur une basse contrainte; enerverend

+ Suite 5 in g kleine terts; nr. 9 Le tombeau pour Marais le Cadet; elegie over zijn gestorven zoon

+ Suite 6 in G grote terts;

+ Suite 7 in e kleine terts, Le tableau de l'operation de la taille (der operatietafel), geschreven uit dank, dat hij een operatie waarbij zijn nierstenen werden verwijderd, overleefde.

 

Johann Caspar (Kasper) Ferdinand Fischer  (Schönfeld, Bohemen, Duitsland, 6 september 1656 - Rastatt, 27 augustus 1746) was de zoon van een kleermaker. Johann Caspar Ferdinand Fischer studeerde in Schlackenwerth in Bohemen.

In 1690 was hij kapelmeester bij  Julius Franz, hertog van Saksen-Lauenburg en in 1695 was hij in dienst als kapelmeester van markgraaf Lodewijk Willem van Baden. Na de vrede van Rijswijk bouwde de markgraaf in Rastatt een indrukwekkend paleis, geïnspireerd op Versailles en vanaf 1715 tot zijn dood werkte Fischer hier aan het hof.

Johann Caspar Ferdinand Fischer componeerde

     8 orkestsuites, Le journal de Printemps, 1695;

     8 missen

     14 (series) motetten

     17 klavecimbelsuites

- Musikalisches Blumenbüschlein, 8 suites opus 2, 1696, opgedragen aan Sybilla Augusta, markgravin van Baden, ter gelegenheid van de geboorte van haar zoon Karl Joseph; het jongetje werd maar zes jaar, maar dat doet niets aan de muziek af.

+ Suite nr. 5: prelude en een aria met 8 variaties

+ Suite nr. 8: prelude en chaconne.

- Musicalischer Parnassus, 9 suites, genoemd naar de 9 muzen, 1738;

+ Melpomene (tragédie), suite nr. 3, preludium, vier dansen en een korte chaconne
+ Clio (geschiedschrijving), suite nr. 1, begint met een Praeludium harpeggiato

+ Euterpe fluitspel), suite nr. 6: eindigt met een lange Chaconne

+ Urania (sterrenkunde). suite nr. 9 in d kleine terts, 9 –delige suite, afgesloten met een schitterende Passacaglia

     33 orgelwerken

- Musikalischer Blumenstrauss, 8 preludes en fuga's voor orgel in de verschillende kerktoonsoorten (1732);

- Ariadne Musica, 20 preludes en fuga's en 5 ricercaren, 1702; de preludes en fuga’s vormen de eerste cyclus van stukken die alle chromatische toonsoorten afgezien van de vijf toonsoorten die het meest vals klonken in de middentoonstemming systematisch doorloopt. Het is een belangrijke voorloper van Bachs Wohltemperierte Klavier;

+ Ricercare "Da Jesus an dem Creutze stund"

 

Henry Hall (Hereford, omstreeks 1656 ̶ 30 maart 1707), de zoon van Captain Henry Hall uit New Windsor, was koorzanger bij de Children van de Chapel Royal, eerst onder leiding van Cooke en later van Humfrey. Na zijn stembreuk studeerde hij samen met John Blow, die Humfrey in 1672 opvolgde als Master of the Children van de Chapel, compositie bij Humfrey. In 1674 werd Henry Hall eerst organist aan de Wells Cathedral, later aan de Exeter Cathedral. In 1679 werd hij assistent organist aan de Hereford Cathedral en daar werd hij in 1688 benoemd tot organist.

Henry Hall componeerde

     8 services

- service in Es (Te deum, Benedictus, Cantate Domino, Deus misereatur, Jubilate)

     37 anthems

     2 odes

     17 liederen

     7 catches

     10 instrumentale werken voor consort met basso continuo

 

Jean-Baptiste Moreau (Angers, Frankrijk, 1656 ? –1 733), was maître de musique in Langres en later in Béziers. Hij werkte ook bij de Koninklijke meisjeskostschool Maison Saint-Louis in Saint-Cyr bij Versailles

Jean-Baptiste Moreau componeerde

     3 intermedia bij theaterwerken van Racine

Esther, 1689

Athalie, 1691

     3 divertissements

     4 geestelijke gezangen voor solostemmen en koor

     een Kerstidylle

 

James (Jacques) Paisible (Peasable), (Versailles?, Frankrijk, omstreeks 1656 – Londen, Engeland, augustus 1721), kwam in september 1673 uit Frankrijk naar Londen als één van de vier hoboïsten die operacomponist Robert Cambert begeleidden bij zijn overstap van Frankrijk naar Engeland. James Paisible speelde hobo, basgamba en blokfluit bij allerlei voorstellingen. Vanaf 1676 voegde Koning Charles II hem min of mer aan zijn hoforkest toe en betaalde hem stiekem, omdat James Paisible Rooms Katholiek was en daarom niet in dienst van het hof kon komen

Jacques Paisible trouwde in 1682 met Mary “Moll” Davis, zangeres en voormalig minnares van Koning Karel II. Hij voorzag in zijn onderhoud door contrabas te spelen en theatermuziek te componeren. Jacques Paisible oogste grote bewondering als virtuoos blokfluitist. De meeste van zijn bewaard gebleven composities zijn dan ook voor combinaties met blokfluit. In 1685 stierf Charles II. Omdat hij geen wettige nakomelingen had, werd hij opgeviolgd door zijn Roomskatholieke broer Jacobus. Dat betekende voor Jacques Paisible een aantal jaren een normale betrekking in het hoforkest.

Maar na de machtovername van de protestantse Willem III uit Nederland in 1688 werd James Paisible weer uit het hoforkest verwijderd.

James Paisible componeerde

     5 “opera’s”

     The Queen's Farewell, voor twee alten, tenor en bas, geschreven Koningin Mary’s begrafenis (1695), zijn bekendste werk.

     1 sonate voor 2 trompetten, 2 violen, tenor en basinstrumenten

     1 verzameling blokfluitwerken

     1 verzameling dansen

     6 sonates voor 2 blokfluiten, opus 1

     6 suites voor 2 blokfluiten en basso continuo, opus 2

     13 sonaten voor blokfluit en basso continuo

- Sonate in d grote terts “Sonatta Flutto Solo”

     5 suites voor blokfluit en basso continuo

 

Johan Snep (Jean Sneppe) (Utrecht, 1656 – Zierikzee, 1719) werd in Utrecht gedoopt op 17 april 1659 in de Hervormde Kerk aan de Catharijnesteeg en was de zoon van Johannes Janszoon Snep en Catharina van Schilperoort. Ze woonden aan de Neude. Johan Snep studeerde in 1685 filosofie aan de Leidse universiteit. In 1687 trouwde hij in Arnhem met Petronella van Bleeck (*1658). Zij kregen drie kinderen, een zoon Johannes (Leiden, 1688) en twee dochters, Agnita Wilhelmina (waarschijnlijk 1690-1726) en Johanna Catharina (1692).

In 1693 werd hij aangesteld als organist aan de Sint-Lievens-Monsterkerk in Zierikzee, waar hij het Hendrik-Niehoff-orgel bespeelde. In een taakomschrijving uit 1718 werden zijn plichten als organist beschreven. Hij moest tijdens de diensten psalmen begeleiden en ook na de dienst spelen. Daarnaast moest hij op dinsdagen en donderdagen in de winter van half zes tot zeven uur concerten geven. Ook zijn bezigheden voor het collegium musicum werden vermeld. Naast zijn werkzaamheden als organist had Johan Snep vanaf 1695 ook een koffiehuis.

In 1718 deed Johan Snep wegens ziekte het verzoek om zich in zijn taken te mogen laten vervangen door zijn dochters. Hij stierf in 1719 en werd inderdaad opgevolgd door zijn dochter Agnita Wilhelmina tot haar dood in 1726. Zij werd op haar beurt opgevolgd door haar zuster Johanna Catharina, die tot 1750 in dienst bleef. Johan Sneps dochters waren de eerste vrouwelijke organisten in een Gereformeerde Kerk in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Johan Snep componeerde

     10 sonates  en dansen voor viola da gamba en basso continuo, opus 1, 1700.  

     tweestemmige Nederlandse liederen met basso continuo, 1710.

 

Johann Paul von Westhoff (Dresden, 1656 – Weimar, begraven op 17 april 1705) was de zoon van een voormalig officier van de Zweedse cavalerie, die een betrekking had gekregen aan het hof van Dresden. Johann Paul kreeg als leerling van Heinrich Schütz een gedegen muziekopleiding

In 1674 werd hij medewerker van de Hofkapel in Dresden, en bleef dat meer dan 20 jaar. In 1697 ging hij taalstudies onderwijzen aan de Universiteit van Wittenberg. In 1699 werd Johann Paul von Westhoff kamersecretaris, kamermuzicus en leraar Frans en Latijn aan het hof van Weimar. Dat bleef hij tot zijn dood in april 1705. Hij was een van de grootste violisten van zijn tijd.

 

Johann Paul von Westhoff  componeerde

     7 sonaten voor viool en basso continuo; enorm virtuose continuopartijen

     7 suiten voor viool solo

- suite , 1683, het vroegst bekende meerdelige werk voor soloviool. Samen met zijn 6 solo partita’s voor viool een belangrijke voorloper van de Sonatas en Partitas voor  solo viool (BWV 1001 - 1006 ) van Johann Sebastian Bach, 24 jaar later.

 

Philipp Heinrich Erlebach (* Esens/Oostfriesland, Duitsland, 25 juli 1657 - Rudolstadt (Thüringen), 17 april 1714), was de zoon van Johann Philipp Erlebach (1604 - 1660), de enige muzikant aan het hof van Graaf Ulrich II van Oostfriesland.

In 1681 werd Pillipp Erlebach door Graaf Albert Anton von Schwarzburg-Rudolstadt tot Capelldirector aangesteld De meeste van zijn meer dan 1000 composities zijn vebrand bij een grote brand in Rudolstadt in 1735

Philipp Erlebach componeerde

     6 ouverture-suites

- Ouverture nr. 2 in Bes grote terts

- Ouverture nr. 4 in d kleine terts

     6 sonates voor viool, gamba en basso continuo

Sonata nr. 3 in A grote terts

     1 mars

     1 serenade

     90 cantates

     94 aria’s

- “Meine Seufzer”, diepzinnige en wijze muziek

- “Trocknet euch ihr heißen Zähren”

- “ Süße Freundschaft, edles Band”, duet voor sopraan, alt en orkest

 

Michel-Richard Delalande, ook Lalande of De la Lande (Parijs, 15 december 1657 ̶ Versailles, 18 juni 1726) was het vijftiende en jongste kind van Michel Delalande en Claude Dumoustier, beide kleermakers. Tussen 1667 en 1672 zong hij als koorknaap in de kerk van Saint-Germain-l’Auxerrois, tegenover het Louvre, in gezelschap van zijn ongeveer even oude vriendje Marin Marais. Hij kreeg daar een brede opleiding, leerde er klavecimbel en orgel spelen, maar ook kennis van de Franse literatuur. Op zijn vijftiende vertrok hij daar, en kon inwonen bij een getrouwde zus. Zijn zwager zorgde maakte met huisconcerten reclame voorzijn neefje. Michel-Richard Delalande solliciteerde een paar keer tevergeefs als violist bij het opera-orkest onder leiding van Jean-Baptiste Lully. Daarop specialiseerde hij zich op orgel en klavecimbel, wat hem geen windeieren legde.

Hij werd op zijn 21ste leraar klavecimbel van de dochter van de Maréchal de Noailles, die hem bij Lodewijk XIV aanbeval als leraar voor zijn en Mme. de Montespans dochters Louise Françoise (Mlle. de Nantes) en Françoise Marie (Mlle. de Blois). Delalande werd daarnaast organist van vier Parijse kerken, de Saint Louis, de Petit Saint Antoine, de Saint Jean-en-Grève en de Saint-Gervais. Van de laatste kerk werd hij na de dood van de hoofdorganist Charles Couperin gecontracteerd om te blijven tot Charles' zoon François Couperin 18 jaar was. Na Delalande's benoeming als sous-maître in de Chapelle royale in 1683 nam François Couperin al eerder de taken over. Ook verplichtingen als organist van de Saint Jean-en-Grève moest hij opgeven door toenemende verplichtingen aan het hof.

In 1684 trouwde Michel-Richard Delalande met zangeres Anne Rebel.

In januari 1689 werd hij opvolger van Jean Louis Lully, overleden in 1688, een zoon van Jean-Baptiste Lully, als surintendant de la musique de la chambre.

In 1709 had hij ook de volledige verantwoording als compositeur de la musique de la chambre op zijn naam.

Michel-Richard Delalande was een welgesteld man als gevolg van zijn functies in dienst van het hof en door lucratieve pensioenen, met als één van de weinige componisten een eigen koets, een groot huis in Parijs in de rue St.-Anne en in Versailles een appartement in de Grand Commun en een landhuis in het Parc-aux-Cerfs. In 1711 stierven twee dochters van Michel-Richard Delalande aan een pokkenepidemie

Na de dood van Lodewijk XIV in 1715 ging Michel-Richard Delalande het rustiger aandoen en zorgde hij ervoor dat zijn beste leerlingen goede posities kregen. Lodewijk XV maakte Delalande in 1722 Chevalier de l'Ordre de Saint Michel en gaf hem een jaar later een jaarpensioen. In 1726 overleed Delalande. Hij werd begraven in de Notre Dame de Versailles.

Michel-Richard Delalande ontwikkelde in het grand motet de nieuwe doorwerkingmogelijkheden van het tonale systeem: sequensen maakten het mogelijk melodische motieven en wendingen in veelvoud te herhalen en zo met een minimum aan thematisch materiaal de muziek vorm te geven. Ontdekkingen op dit gebied van Corelli en Vivaldi werden zo in de motetcompositie toegepast. Ook componeerde zijn grote motetten in afgesloten onderdelen, die hij nummerde, op dezelfde manier waarop Johann Sebastian Bach dat in zijn cantates deed.

Michel-Richard Delalande schreef

     24 balletten, divertissement en pastorales;

- Ballet de la jeunesse, 1686

- Les Élémens,  S.153, operaballet met een proloog en vier entrées, libretto Pierre-Charles, gecomponeerd samen met zijn leerling  André Cardinal Destouches. 22 oktober 1721. Het ballet werd meegedanst door de 11-jarige koning Lodewijk XV, in zijn paleis “des Thuilleries” 

     77 grand motets die na 1725 grotere bijval van een groter publiek kregen, na het opzetten van de Concert Spirituel in Parijs. Delalande's grand motets werden nog gedurende de gehele 18e eeuw zeer veelvuldig uitgevoerd.

- Miserere mei, Deus, psalm 57, S 15, 1685,

- Miserere mei, Deus, secundum, psalm 51, S 27,   1687,

- Super flumina Babilonis , psalm 137, 1687;

- De profundis, psalm 129,  S.23, 1689, gereviseerd in 1720

- Confitebor tibi domine, 1699;

     9 leçons de ténèbres, voor één solostem en continuo, vóór 1712, 6 zijn er verloren gegaan. Heel mooi.

     16 petit motets

     17 Symphonies pour les Soupers du Roy, S 155 - S 172

- Le Deuxième Fantaisie ou Caprice que le Roy demandait souvent, S.161
- Grande piece en G re sol „Fantaisie ou Caprice que le Roy demandoit souvent”

     23 Symphonies des Noëls, S 130: toonzettingen van traditionele Franse kerstliederen die op kerstavond in de koninklijke kapel werden gespeeld.

 

Johann Baal (Pater Marianus Baal OSB) (Karlstadt, Duitsland, 18 december 1657 – Münsterschwarzach, 1701) kwam uit een zadelmakersfamilie die al sinds jaar en dag in Karlstadt bezig was. In 1656 schreef hij zich in voor een studie filosofie aan de Universiteit van Würzburg. Toen hij twintig jaar oud was, in 1657 had hij een aanstelling als organist en componist aan het hof van de vorstbisschop van Bamberg. In 1685 gaf hij die betrekking op en trad in de Benedicter Abdij Münsterschwarzach in. In 1688 werd hij tot priester gewijd en nam de naam Marianus aan. Een noodlottig ongeval maakte een einde aan zijn leven: hij stortte in een bouwput tijdens een renovatie van het klooster en overleed aan zijn verwondingen.

Johann Baal componeerde

     1 mis, door Johann Sebastian Bach en Johann Gottfried Walther met de hand gekopieerd

     6 motetten

     1 vioolsonate in a kleine terts

 

Giuseppe Torelli (Verona, 22 april 1658 - Bologna 8 februari 1709) was de zoon van gezondheidsinspecteur Stefano en Anna (Boninsegna) Torelli, de zesde van negen kinderen. Hij  studeerde viool in de school bij de kathedraal van San Petrino in Verona en compositie bij Giacomo Perti in Bologna. Giuseppe Torelli is vooral bekend geworden door zijn concerten voor trompet. Vanaf 1686 was hij altviolist in Bologne bij de "Accademia Filarmonica". Daarna was hij tien jaar kapelmeester op het hof van de graaf van Ansbach in Beieren. Na een kort verblijf in Wenen keerde hij terug naar Bologna waar hij stierf in 1709. Zijn manuscripten worden bewaard in de San Petronio archieven in Bologna. Guiseppe Torelli was leraar van Francesco Manfredini. Zijn jongste broer Felice Torelli was een schilder in Bologna, een van de oprichters van de Accademia Clementina.

Giuseppe Torelli componeerde

     2 oratoria

     1 cantate

     concerti grossi

     vioolconcerten: 1700, het eerste vioolconcert

     30 trompetconcerten voor 1 – 4 trompetten, strijkers en basso continuo

     sonaten

- 12 concerti da camera, voor 2 violen en basso continuo, opus 2 (1686), de eerste keer dat de term concerto da camera wordt gebruikt.

     sinfonia’s

 

Theodor Schwarzkopf (Ulm, Duitsland, 6 november 1659 - Ludwigsburg, 13 mei 1732 was de zoon van Georg Reinhardt Schwarzkopff, stadsmuzikant, organist en orgelbouwer in Ulm. Theodor Schwarzkopf was gambist. Hij werd tweede kapelmeester van de hofkapel in Württemberg in 1686/87 en kapelmeester vanaf  27 maart 1690. Op 13 mei 1690 trouwde Theodor Schwartzkopf met Maria Magdalena Pommer. Hij gaf prinsessen pianoles in 1694/95; reisde naar het carnaval in Venetië; werd met wachtgeld onslagen in 1709, maar in 1711 weer in dienst genomen tot 1725.

Zijn overgebleven muziek is te vinden in de universiteitsbibliotheek van Rostock

Ik kan over die componist verder niets terugvinden. Houd me aanbevolen voor gegevens

Theodor Schwarzkopf  componeerde

     orkestwerken

- concerto grosso voor trompet, viool, gamba, strijkers en basso continuo

     1 sonate voor altblokfluit, strijkers en basso continuo

     5 triosonates

- sonate in g kleine terts voor gamba, fagot, viool en basso continuo; met prachtige lyrische chaconne 

     sonates voor viola da gamba en basso continuo

 

Henry Purcell (Westminster, omstreeks 1659 ̶ Londen, 21 november 1695) was de zoon van Henry Purcell, zanger in de Chapel Royal van koning Charles I, en de oudere broer van Daniel Purcell, ook een begaafd componist. Vader Purcell overleed toen Henry jr. een jaar of vijf was. De jongen werd opgenomen in het jongenskoor van de Chapel Royal en kreeg daar een gedegen muzikale opleiding van Captain Henry Cooke. Later kreeg hij orgelles van Christopher Gibbons en John Blow. John Blow stond zijn post als organist van Westminster Abbey rond 1680 af aan Henry Purcell, omdat zijn leerling hem overtroffen had. Na de dood van Henry Purcell nam John Blow deze post opnieuw op zich, tot zijn eigen dood in 1708. De twee liggen niet ver van elkaar begraven in Westminster Abbey, nabij het orgel dat ze zelf bespeeld hebben. In 1677 werd Henry Purcell hofcomponist. Henry Purcell overleed, 35 oud, aan een longontsteking, die hij had opgelopen toen zijn vrouw, Frances Peters, hem het huis niet wilde binnenlaten nadat hij weer eens veel te laat van het theater was teruggekomen.

Na Purcells dood bundelde zijn weduwe zorgvuldig zijn populairste liederen en instrumentale stukken. Zij werden door Henry Playford uitgegeven in twee collecties Orfeus Britannicus van 1698 en 1702. Deze bijnaam genoot Henry Purcell al tijdens zijn leven en ze vormt een bewijs voor zijn status. Henry Purcell kreeg bij Frances Peters 6 kinderen, waarvan alleen zijn zoon Edward en zijn dochter Frances hem overleefden. Hij ligt begraven in zijn eigen Westminster Abbey. Op zijn begrafenis werd zijn prachtige Funeral Music for Queen Mary gespeeld, die hij acht maanden eerder had gecomponeerd voor de begrafenis van de vorstin.

Henry Purcell schreef

     7 Masques:(semi-)opera's

- Dido and Aeneas, Z 626, 1688, libretto Nahum Tate, door Henry Purcell op geniale wijze tot klinken gebracht. Het verhaal over de onmogelijke liefde tussen de Trojaanse held Aeneas, op de vlucht,  en Dido, de koningin van Carthago. Vol intriges, wrede wezens, toverkollen, theatrale elementen en glorieuze melodieën. Aeneas en Dido worden hevig verliefd, maar Aeneas moet weer vertrekken. Dido's hart breekt en ze pleegt zelfmoord. Dido’s slotlament: “When I am laid in Earth” aan het einde van de derde acte is de mooiste sopraanaria ooit geschreven. Moet dan wel héél mooi gezongen worden.

Het daaropvolgende slotkoor: "With drooping wings ye Cupids come" wordt nogal eens door allerlei koren apart uitgevoerd

- The Prophetess: or, the History of Dioclesian , semiopera, 1690,  libretto Thomas Betterton, gebaseerd op het toneelstuk The Prophetess van John Fletcher en Philip Massinger, 1622 , met een mooie instrumentale “two upon a ground” voor twee blokfluiten en basso in de derde akte. Handelt over de strijd tussen de plicht en de liefde, met de Romeinse  keizer Dioclesian in de hoofdrol.

- King Arthur, or the British Worthy, Z 628, 1691, libretto John Dryden. Arthur zoekt en vindt uiteindelijk zijn blinde geliefde Emmeline, bij wie als het ware de schellen van de ogen vallen bij haar bevrijding uit de klauwen van een valse tovenaar. Onder veel meer het drinklied "com boys, come!"

- The Fairy-Queen, Z. 629; 1692, naar Shakespeares A Midsummer Night’s Dream, briljant getoonzette masque; In deze tijdloze klassieker dwalen vier geliefden door het bos, waar zij door feeën betoverd worden. Sprankelende muziek. Een viering van de liefde en het leven. De hoofdrolspelers Koningin Titania en koning Oberon hebben veel tekst maar zingen niet. De zang wordt overgelaten aan de bijfiguren zoals de dronken dichter (bas). Bekende aria: nr. 40. de klacht van godin Juno (sopraan) "O, let me weep".

- The Indian Queen, Z. 630, semi-opera in vijf bedrijven, 1695.  Libretto een aangepaste versie van het toneelstuk The Indian Queen, 1664, van John Dryden and Sir Robert Howard. Het was Henry Purcells laatste semi-opera, de laatste acte werd na Henry’s dood door Daniel geschreven.

Sopraanaria aan het eind van de derde akte: I attempt from love's sickness to fly, tekst John Dryden. In het lied – een rondo wordt bezongen hoe men tevergeefs voor liefdesverdriet vlucht omdat alle verdriet niet buiten jezelf bestaat. Het lied is een favoriet nummer bij audities en examenuitvoeringen.

Orazia,  de dochter van de Incakoning, zingt als nr. 19 de aria "They tell us that you mighty powers above" prachtig licht en ingetogen.

En er is uit The Indian Queen ook een "trompetouverture" gedistilleerd, die nogal eens apart wordt uitgevoerd

- Timon of Athens, the man-hater, Z 632, 1694, een aanpassing uit 1678 van Thomas Shadwell van het toneelstuk Timon of Athens van William Shakespeare. Het stuk is er in de bwerking niet op vooruit gegaan, maar de muziek die Henry Purcell er in 1694 bij schreef maakt weer een hoop goed. Henry Purcell schreef als achtergrond voor de vierde acte als muzikaal nr. 13  een instrumentale Curtain Tune over een ground met bizarre dissonante harmonieën en ritmes in contrapunt.   

- The Tempest, or the Enchanted Isle, Z 631, 1695.

     42 toneelmuzieken met dansen en liederen

- Theodosius, or The Force of Love, Z 606, 1680; 9 muzikale delen; zijn eerste toneelmuziek

- The Double Marriage(1682- 85?);

- A Fool's Preferment, or The Three Dukes of Dunstable ,1688);

- The Gordian Knot Unty'd, 1691;

- The Wives' Eycusc, or Cuckolds Make Themselves, 1691;

- Oedipus, 1692, Z 583, vier muzieken bij een toneelstuk van John Dryden en Nathaniel Lee;

deel 2. Music for a while, een lamento in c kleine terts, is heel beroemd geworden en op allerlei manieren gearrangeerd; 

- Abdelazar or The Moor's Revenge, Z 570, 1695 met een rondeau dat het thema leverde voor Benjamin Britten's Young Person's Guide to the Orchestra. Het verhaal gaat over de fictieve Afrikaan Abel-Azer, die het aan het zestiende-eeuwse Spaanse haf van slaaf tot koning zou hebben gebracht.

- Bonduca, or The British Heroine Z 574, 1695;

- Pausanias, the Betrayer of his Country, Z 585, 1695,

Song, 1ste bedrijf:  "Sweeter than roses"

- The Mock Marriage, Z 605, 1695

lied 3: Man is for a woman made

- The Rival Sisters, or The Violence of Love, Z 608, 1695;

     65 anthems

Hierbij doet Purcell veel met “word painting”. Het woord “low” in de tekst wordt dan ook een extreem lage noot.

- I was Glad voor de troons bestijging van Willem en Mary in 1689, Z 19

- Lord, who can tell, Z 26, psalm, geschreven voor Kerst 1678

- My Beloved Spake,  Z 28, vóór 1677, waarin Purcell vogels nabootst

- My heart is inditing, kroningsanthem voor  2 sopranen, alten, tenoren, bassen, dubbelkoor, strijkers en continuo, Z 30, 1685, uitgevoerd bij de kroning van Jacobus II

- Praise the Lord, O Jerusalem, verse anthem, Z 46, 1689

- Rejoice in the Lord always,  Z 49, omstreeks 1685, verse anthem, “The Bell Anthem”, vanwege de kerkklokimitaties.

     48 religieuze liederen

- Jehova, quam multi sunt hostes mei, Z 135, omstreeks 1680, mooi klassiek contrapunt

-"Now that the sun hath veiled his light", an evening hymn, Z 193, 1688. tekst bisschop William Fuller.  voor alt (countertenor) en basso continuo. De mens legt zijn lichaam te rusten, maar vraagt zich af waar zijn ziel rust zal vinden. Een prachtige chaconne, hartbrekende muziek

- The blessed virign’s expostulation ("Tell me, some pitying angel") Z 196, 1693, over Jezus’ verdwijning op 12-jarige leeftijd in de tempel. Tekst Nahum Tate. Prachtige tekstuitbeelding van de opperste wanhoop van Maria.

     odes

- "Sound the trumpet, beat the drum", Welcome Ode voor James II, voor solisten, koor, strijkers en continuo, Z 335, 1678

- Welcome, Viceregent of the Mighty King, 1680, Z 340

- Odes for Saint Cecilia’s Day:

+"Laudate Ceciliam" , Z 329, 1683, ook een juweel

+ Welcome to all the Pleasures, 1683, Z 339

+ Hail! Bright Cecilia, 1692, Z 328, koninklijke feestvreugde met trompetten en pauken tegenover muzikale ingetgenheid in de pastorale hobo's. In tekst en m uziek worden alle instrumenten belicht

nr. 7 With that sublime celestial lay, trio alt, tenor en bas, die een orgeltje uitbeelden

nr. 8 Wondrous Machine, ode aan de luit. basaria

nr. 10 Duet (contreténor et ténor) : In vain the am’rous flute and soft guitarr, duet voor counter en tenor, uiterst traag en mierzoet.

- "Why, why are all the Muses mute?", 1685, Z 343, 13-delige welkomstode voor James II, voor solisten, koor en instrumenten

- "Of old when heroes thought it base", 1690, Z 333, 4de deel “The pale and Purple rose” voor counerteor en orkest, onweerstaanbaar

- Come ye Sons of Art, verjaardagsode voor koningin Mary, Z 323, 1694, een van zijn mooiste werken.

     cantatas

     Te Deum en Jubilate Deo, voor Saint Cecilia’s day 1693

     begrafenismuziek

- Funeral music for Queen Mary II, Z 860, 1695, voor vier stemmen, vier trompetten en basso continuo. Het werk bestaat uit een instrumentale canzone en drie funeral sentences (zettingen van anthems uit het Book of Common Prayer)

 Sentence 3. Thou knowest, Lord, donkere dissonanten, een ingetogen melodielijn, sombere kleuren

     150 wereldlijke liederen

- Sweet Tyraness, I now resign, ZS 69, 1667,  het vroegst bekende werk van Purcell, dat hij rond zijn achtste gecomponeerd moet hebben.

- O solitude, my sweetest choice Z 406, 1687, tekst Antoine Girard de Saint-Amant in een vertaling van Katherine Philips, ondefinieerbare en onnavolgbare weemoed

- "If music be the food of love" (1692–1695), Z 379, tekst kolonel Henry Heveningham

- O! fair Cedaria, hide those eyes,  Z 402, tekstschrijver onbekend

- "O dive custos Auriacae domus", Z 504, 1695, voor twee sopranen en basso continuo, elegie op de dood van Koningin Mary in dat jaar. Meanderende melodieë omkri gelen elkaar, komen samen, vormen echo’s, stijgen ten hemel en dalen neer in het graf. Mooi.

     50 catches: obscene drinkliederen

     15 fantasia's voor gambaconsort, 1680, het magistrale sluitstuk van dit repertoire.

- Fantasy upon a Ground in D grote terts /F grote terts, Z 731 (Three Parts upon a ground)

     2 in nomine's voor gambaconsort, 1680

     12 Sonata's of Three Parts, 1683, sonates voor twee violen en basso continuo.

     10 Sonata's of Four Parts, Z 802-811, geniale muziek, oorspronkelijk ook gecomponeerd als triosonates  voor twee violen en basso continuo ná Purcells dood door zijn vrouw Frances uitgegeven; rijke melodische lijnen, gedurfde harmonieën; CD The Kings Consort; Vivat 106;

     60 (series) werken voor Klavecimbel

- A Choice Collection of Lessons  for the Harpsichord or Spinnet, 1696, 8 suites, in G, g, G, a, C, D, d, F en F