Componisten

vanaf 1725

 

Johann George Tromlitz (Reinsdorf, Thüringen, Duitsland, 8 november 1725 – Leipzig, 4 februari 1805) was de zoon van een grenadier (een soort betere soldaat). Johann George Tromlitz ging in Gera naar school, trouwde in 1747 en studeerde vanaf 1750 aan de juridische faculteit van de Universiteit Leipzig. Hij behaalde er de titel van Notarius publicus caesareus (keizerlijk notaris). Ergens moet hij ook muziek hebben gestudeerd, want in 1754 werd hij eerste fluitist van het Große Konzert in Leipzig, de voorloper van het Gewandhausorchester. En op dat moment maakte hij ook al eigen dwarsfluiten. Concertreizen brachten hem in de jaren erna naar Sint Petersburg. Tromlitz was ontevreden met de klank en intonatie van de eenkleppige traverso. Vanaf zijn studententijd hield hij zich bezig met het bouwen van fluiten, later ook commercieel, en breidde hij de fluit volgens het model van Johann Joachim Quantz uit met meerdere kleppen. Aan het einde van zijn ongeveer 40-jarige carrière maakte hij, naast andere modellen, een fluit met 8 kleppen, waarop je chromatisch in alle toonaarden kon spelen, het instrument waaruit Theobald Böhm de moderne dwarsfluit ontwikkelde. Johann George Tromlitz werkte ook als fluitleraar en schreef onder meer een fluitmethode en enkele boeken over de bouw van fluiten.

In 1776 trok hij zich terug uit het orkest en wijdde hij zich aan lesgeven, schrijven, componeren en fluiten bouwen. Tegenwoordig zijn er nog 6 in privébezit en musea bewaard gebleven Tromlitzfluiten. Onder andere de dichter Eduard Mörike bezat een Tromlitz-fluit. Johann George Tromlitz was een overgrootvader van Clara Schumann.

Johann George Tromlitz componeerde

     fluitconcerten

     fluitsonates

     partita’s voor fluit solo

     1 fluitmethode

- Ausführlicher und gründlicher Unterricht die Flöte zu spielen, 1791, een monumentaal werk, de belangrijkste van de 18de- eeuwse fluitscholen

 

Esteban Salas y Castro(Havana , Cuba, 25 december 1725 – Santiago de Cuba, 14 juli 1803) was de zoon van inboorlingen van de Canarische eilanden. Vanaf 1734 was hij koorknaap in de San Cristóbal kerk (nu de kathedraal) van Havana. Hij leerde daar meteen maar piano, viool, orgel, contrapunt en compostie. Toen hij 15 jaar oud was, ging hij naar het Seminarie van San Carlo, waar hij muziek, filosofie, theologie en kerkrecht studeerde. Omdat zijn vader overleed, moest hij zijn studie afbreken om voor zijn moeder, broertjes en zusjes te zorgen. De kost verdiende hij als organist en koordirigent in de San Cristobal. Dat trok de aandacht van bisschop Francisco Agustín Morell de Santa Cruz, die hem in 1764 tot maestro de Capilla aan de Muziekkapel van de kathedraal van Santiago de Cuba benoemde. In 1790 werd hij er tot priester gewijd.

In de 1940-er jaren werden veel van zijn partituren herontdekt door de Cubaanse schrijver en musicoloog Alejo Carpentier.

Het Conservatorium Esteban Salas in Santiago de Cuba is naar hem vernoemd. Sinds 2003 wordt in Havanna elk jaar het Oude Muziek Festival Esteban Salas georganiseerd.

Esteban Salas componeerde

     7 missen

     1 requiem

     4 passionen

     8 Lamentationes

     5 Psalmen,

     2 Litanieën,

     5 Hymnen,

     7 Sequensen,

     12 antifonen

     41 overige religieuze Latijnse werken,

     60 Villancico's

     4 pastorelas

     18 liederen

 

Angelo Morigi (Rimini, Italië,1725 – Parma, 22 Jan 1801) studeerde viool bij Giuseppe Tartini en theorie bij Vallotti. Omstreeks 1758 kwam hij in dienst van de hertog van Parma. In 1766 werd Angelo Morigi 1ste violist van het hoforkest en in 1773 muziekdirecteur. Hij schreef een compositiehandleiding: Trattato di contrappunto fugato.

Angelo Morigi componeerde

     18 sonates

     6 triosonates

     6 concerti

     6 duo’s voor viool en cello

     duo’s voor twee violen

     werkjes voor viool solo

- Capriccio en Minuet in A

 

Manuel Pla i Agustí(Torquemada,Spanje, 1725 –13 september1766) bleef in tegenstelling tot zijn componerende en musicerende broersJuan Bautista Pla (1720 – 1773) en JosepPla (1728-1762), zijn hele leven in Spanje. Hij kreeg een benoeming als muzikant in de Koninklijke Spaanse Kapel.

Manuel Pla componeerde

     sinfonieën

     concerten

     kamermuziek

- 6 vioolduetten

     psalmen

     missen

     motetten

- Salve Regina in g kleine terts

     zarzuela’s

     serenata’s

     oratoria

     villancico’s

     tornadillas

     cantates

- Regocíjese el alma venturosa, cantate voor het heilig sacrament

     aria’s, voor zangstem en orkest

- La lepra de Constantino ;

- Pedro, cuánto has dejado por sequir a tu maestro

Josef Anton Steffan (Josef Antonín Štěpán, of Giuseppe Antonio Steffani) (Kopidlno, Bohemen,maart 1726 – Wenen,april 1797) vluchtte in 1741 voor het Pruisische leger naar Wenen. Daar kreeg hij compositie- en klavecimbelles van Georg Christoph Wagenseil. Hij was een briljante leerling en klavecinist. In 1766 wird hij aangesteld als muziekleraar van de prinsessen Maria Karolina en Maria Antonia, de toekomstige koningin Marie Antoinette van Frankrijk. In 1775 ging hij met pensioen in verband met een oogziekte, die tot blindheid leidde. Door de ziekte raakte hij in een toenemend isolement. Al bij zijn dood in 1797 was hij een vergeten componist.

Josef Anton Steffan componeerde

     geestelijke werken

     kamermuziek

- concerto voor twee altblokfluiten en basso continuo in F groot

     werken voor klavecimbel en fortepiano (hammerklavier)

     1 pianoconcert

 

François-André Danican Philidor (Dreux, 7 september 1726 – Londen, 31 augustus 1795) was de zoon van André Danican Philidor (ca.1647–1730), ook bekend als Philidor l'ainé (Philidor de Oudere). Hij was hoboïst en kromhoornspeler in het Grande Écurie militair orkest en later in de Koninklijke Kapel van Louis XIV. François-André Danican Philidor’s moeder was de tweede vrouw van zijn vader: Elizabeth Le Roy, waarmee hij in 1719 trouwde toen zij 19 jaar oud was en hij 72. Toen François-André was geboren was zijn vader 79, hij stierf vier jaar later.

In 1732 begon François Philidor op zesjarige leeftijd mee te zingen in het koninklijk koor van Louis XV en hij componeerde zijn eerste lied toe hij 11 jaar was. Omdat de zangers zich nogal verveelden, steeds wanneer ze op de koning moesten wachten, speelden ze schaak om de verveling te verdrijven.

Omstreeks 1740 leefde en werkte François Philidor in Parijs als muzikant, muziekleraar en muziekkopiïst. In 1745 ging hij als 19-jarige op verzoek van de Italiaanse musicus Lanza naar Nederland. In Rotterdam verdiepte hij zich verder in het schaakspel. Omdat er verder weinig interesse was in zijn muzikale mogelijkheden verhuisde hij in 1746 naar Londen, waar hij in 1795 op 68-jarige leeftijd overleed.

 Hij was de eerste schaakmeester die het belang van de pionnen inzag. In zijn boek Analyse du Jeu des Echecs toonde hij de sterke kant en ook de zwakke kant van de pionnen, nadat eerst de stukken ontwikkeld waren. Hij was de sterkste schaker van de 18e eeuw en hij één van de onofficiële wereldkampioenen.

Hij blijft vooral bekend door zijn opening: de Philidor-verdediging: 1.e4 e5 - 2.Pf3 d6

François Philidor componeerde

     29 opera’s

- Les femmes vengées, ou Les feintes infidélités, opéra comique in één bedrijf, libretto Michel-Jean Sedaine, 20 maart 1775. Lijkt in libretto en bezetting treffend op de latere opera Cosi fan tutte van Mozart en Da Ponte.

- Tom Jones, comédie mêlée d'ariettes, soort opéra comique, 27 februari 1765, libretto Antoine-Alexandre-Henri Poisenet en Bertin Davesne, losjes gebaseerd op de gelijknamige roman van Henry Fielding. In 1766 werd het libretto gereviseerd door Michel-Jean Sedaine en vanaf dat moment was de eerder geflopte opera een succes.

     1 vrijmetselaarsoratorium,  het eerste in de geschiedenis

- Carmen sæculare, oratorium voor sopraan, mezzosopraan, tenor, bas, gemengd koor en orkest  teksten: het gelijknamig gedicht en andere gezangen van Horatius, het werk werd gecomponeerd op aanbeveling van de geleerde Giuseppe Baretti.

     motetten

     cantates

     3 werken voor orkest

 

Johann Christoph Schmügel(gedooptPritzier/Mecklenburg, Duitsland, 13 januari 1727 – Mölln/Lauenburg, 21 oktober1798) was de tweede van minstens zes kinderen van organist Johann Christoph Schmügel Senior. Hij kreeg zijn eerste muziekonderwijs van zijn vader. Vanaf zijn 16de jaar tot ongeveer 1750 werkte Johann Christoph Schmügel als organist in Pritzier. In 1750 vertrok hij naar Hamburg, waar hij bij Georg Philipp Telemanncompositie studeerde. Vanaf 1758 werd Johann Christoph Schmügel met een aanbevelingsbrief van zijn leraar Georg Philipp Telemann organist/kapelmeester aan de St.-Johannis-Kirchein Lüneburg. In 1766 verliet Johann Christoph Schmügel Lüneburg vanwege verschillende onduidelijke problemen en werd tot zijn dood cantor/organist aan de Nikolaikirchein Mölln. Johann Christoph Schmügel stierf tijdens orgelspel in een kerkdienst aan een beroerte.

Johann Christoph Schmügel componeerde

     5 cantates

     1 divertimento

     6  sinfonie da chiesa

     2 werken voor drie dwarsfluiten

- sonata in  D grote terts voor drie dwarsfluiten, ook uitgegeven in F grote terts voor drie altblokfluiten.

     liederen en koralen met klavierbegeleiding

- Sing- und Spieloden vor Musikalische Freunde, Leipzig, 1762, zijn bekendste werk

     3 series orgelwerken

 

Johann Gottlieb Goldberg (Danzig, nu Gdańsk, gedoopt 14 maart 1727 – Dresden, 15 april 1756) stond in zijn korte leven bekend als een virtuoos klavecinist en organist. Hij heeft les gehad van zowel Johann Sebastian Bach als Wilhelm Friedemann Bach. Graaf Hermann Carl von Keyserlingk, ambassadeur van de Russische tsaar in het keurvorstendom Saksen, ontdekte de jonge Johann Gottlieb Goldberg rond 1737 en inam hem in dienst als privé-klavecinist. De dertig variaties op een thema, door Johann Sebastian Bach in 1741 gepubliceerd als vierde deel van de Clavier-Übung, zouden door Von Keyserlingk bij Johann Sebastian Bach zijn besteld om hem in zijn slapeloze nachten wat op te vrolijken en volgens dezelfde overlevering hun première beleefd hebben onder de vaardige vingers van de 14-jarige (!!) Johann Gottlieb Goldberg, vandaar de bijnaam "Goldberg"-variaties. (Bachbiografie van Johann Nikolaus Forkel (1802)). Het werhaal wordt door hedendaagse Bachvorsers beschouwd als een legende.

Johann Gottlieb Goldberg bleef tot omstreeks 1745 in dienst van Von Keyserlingk. Vanaf 1751 was Johann Gottlieb Goldberg "Kammermusikus" in de privékapel van de Saksische staatsman Graaf Heinrich von Brühl. Hij overleed in 1756 in Dresden, nog maar 29 jaar oud, aan tuberculose.

Johann Gottlieb Goldberg componeerde

     29 klavecimbelwerken

- 24 polonaisen voor klavecimbel in alle grote en kleine terts-toonsoorten.

- Prelude in C grote terts, een rariteit

     2 klavecimbelconcerten

     5 triosonaten

     1kwartetsonate

     2 cantates

- Durch die herzliche Barmherzigkeit.voor het Johannesfeest, 24 juni 1741

- Hilf, Herr, Psalm 12, 1741

 

Tommaso Michele Francesco Saverio Traetta (Bitonto, Bari, Italië, 30 maart 1727 – Venetië, 6 april 1779) studeerde van 1738 tot 1748 aan het Conservatorio di Santa Maria di Loreto in Napels bij Nicola Porpora en Francesco Durante. Na zijn studietijd werkte hij een tijdlang samen met Niccolo Jommelli in Napels en Rome.

In 1758 kreeg Tommaso Traetta een aanstelling als maestro di cappella en maestro di musica in Parma, bij de hertog Filips de Bourbon, hertog van Parma, die hem een vast jaarinkomen garandeerde. In 1765 werd hij directeur van het Conservatorio dell'Ospedaletto in Venetië.

Drie jaar later, in 1768, volgde hij Baldassare Galuppi op als leraar en maestro di corte aan het hof van Catharina de Grote in Sint Petersburg. Hier componeerde hij de tragedia per musica, Antigona (première, keizerlijk theater Sint Petersburg, 1772), het ultieme voorbeeld van een hervormingsopera: de nieuwe operavorm waar Christoph Willibald von Gluck met Orfeo ed Euridice in 1761 mee was begonnen: meer aandacht voor het verhaal, géén eindeloze da-capoaria's. Het libretto was van Marco Coltellini. In 1775 zat zijn dienstbetrekking bij Catharina de Grote in Sint Petersburg erop en trok Tommaso Traetta naar Londen.

Daar zaten ze niet op hem te wachten, dus trok hij weer terug naar Italië, waar hij een aanstelling kreeg als als directeur van het Conservatorio della Pietà dei Turchini in Napels.

Tommaso Traetta componeerde

     43 opera’s

- Armida, azione teatrale in 1 bedrijf, libretto Giacomo Durazzo, 3 januari 1761, mooie ouverture

     3 oratoria

     1 Johannespassie

     7 andere religieuze werken

     3 sinfonieën

www.traetta.com

 

Bonifacio Domenico Pasquale Anfossi (Taggia, Liguria, 5 april 1727 – Rome, februari 1797) studeerde viool aan het Loreto Conservatorium in Napels van 1744 tot 1752 en speelde daarna tien jaar in een opera-orkest. Daarna studeerde hij Niccolò Piccinni en Antonio Sacchini compositie.

In 1782 werd hij benoemd als muziekdirecteur in Londen.

In 1786 keerde Pasquale Anfossi in Italië terug. In 1789 hield hij op met opera’s te componeren en wijdde hij zich geheel aan kerkmuziek. Hij werd aangesteld als Maestro di cappella van de San Giovanni in Laterano, en bleef dat daar tot zijn dood in 1797.

Pasquale Anfossi componeerde

     60 opera’s

- La Serva Spiritosa,  opera buffa voor het Carnaval in Rome in 1763

- L'incognita perseguitata (ook bekend als la Matilde ritrovata), 1773

 aria van Nannina: Quando la rosa non ha più spine, is gereviseerd door Franz Joseph Haydn;

- Il trionfo della costanza, 1782

- L'inglese in Italia, 1786.

     2 cantates

     20 oratoria

 

Friedrich Hartmann Graf(Rudolstadt, 23 augustus1727 – Augsburg,19 augustus1795) kreeg zijn muzieklessen van zijn vader Johann Graf en deed daarna dienst als trommelslager in een Hollands Legerregiment, waarbij hij in Engelse krijgsgevangenschap raakte. Eenmaal terug was hij 1759 tot 1764 fluitist en dirigent in Hamburg. Na concertreizen door heel Europa werd hij hofmusicus van Graaf Carl zu Bentheim inSteinfurt. Van 1768 tot 1772 was Friedrich Hartmann Graf eerste fluitist in de door zijn broer Christian Ernst Grafgeleide Koninklijke Kapel in Den Haag. Daarna werd hij muziekdirecteur aan de evangelische Kerk en cantor van de Sint Annaschool in Augsburg. Hij richtte er in 1779 een amateurconcertgezelschap op en leerde er ook Wolfgang Amadeus Mozartkennen, die niet veel waardering voor hem had en als een "mageren Komponist von Flötenkonzerten"betitelde. Omstreeks 1785 was hij dirigent van de Professional ConcertsinLonden. DeUniversiteit van Oxfordverleende hem een doctoraat.

Friedrich Hartmann Graf componeerde

     2 symfonieën

     7 concerten

- 4 fluitconcerten, ondanks Mozart best de moeite waard

     2 oratoria

     60 kamermuziekwerken

     4 cantates

- Lobsingt dem Herrn, Kantate zum Westfälischen Frieden voor solisten, koor, orkest en orgel

     andere religieuze werken

 

Johann Wilhelm Hertel (Eisenach, 9 oktober 1727 – 14 juni 1789) was de zoon van  Johann Christian Hertel, concertmeester aan de hofkapel van Eisenach. Johann Wilhelm ging naar het gymnasium en kreeg zijn eerste klavierlessen van Johann Heinrich Heil.

In 1742 verhuisde het gezin naar Neustrelitz, waar zijn vader concertmeester werd bij de hofkapel van Mecklenburg-Strelitz aanvaarde; Johann Wilhelm kreeg  vioollessen van Carl Höck, concertmeester in Zerbst. In 1744 werd Johann Wilhelm in Neustrelitz violist en klavecinist in de hofkapel. In Berlijn, waar hij herhaaldelijk kwam nam hij vioolles bij Franz Benda en compositie bij Carl Heinrich Graun.

Vanaf 1751 nam Hertel de leiding  van de hofkapel van Neustrelitz van zijn vader over. Na een aantal jaren werd Johann Wilhelm  hof- en kapelcomponist en klavecinist in Schwerin bij  Christiaan Lodewijk II van Mecklenburg-Schwerin en zijn opvolger Frederik III "de Vrome." Hij werkte tussentijds ook als organist in Stralund. In 1761 trad hij in dienst van prinses Ulrike Sophie, dochter van Christiaan Lodewijk II en regente van het klooster van Rühn. In 1764 werd hij haar privésecretaris en verbleef enkele jaren in Hamburg.

Johann Wilhelm Hertel trouwde in 1763 met zijn klavierleerlinge Sophie Aemilie Louise von Wumb. Zij scheidden twaalf jaar later. Johann Wilhelm Hertel overleed aan een zenuwziekte.

Johann Wilhelm Hertel componeerde

     2 toneelmuziekwerken

     6 sinfonia’s

     48 concerten

- Concerto per il flauto, in D grote terts, 1749

     2 passionen

     1 mis

     12 wereldlijke cantates

     11 kerkelijke cantates

- Die Geburt Jesu Christi (tekst, H.J. Tode), 1777, eigenlijk een oratorium, zeer empfindsame muziek

     2 serenata’s voor zangstem (koor) en orkest

     2 motetten

     3 psalmzettingen

     talloze koraalzettingen  voor vierstemmig koor en orkest

     35 kamermuziekwerken

     40 aria’s

     50 liederen

     30 klavecimbelsonates

     2 orgelpartita’s

 

Niel (Neil, Neal) Gow (Inver,Perthshire, Schotland, 1727 – 1 maart 1807) was de zoon van John Gow en Catherine McEwan. Hij begon al als kind viool te spelen en op zijn 13de kreeg hij zijn eerste officiële lessen van John Cameron. Hoewel hij een soort wonderkind was, volgde hij een opleiding als wever, maar gaf dat uiteindelijk toch op om beroepsmusicus te worden.

Niel Gow kwam in dienst van James Murray, tweede hertog van Atholl, waardoor hij voortdurend op dansfeesten en partijen van de plaatselijke adel kon spelen. Niel Gow trouwde met Margaret Wiseman, met wie hij vijf zonen en drie dochters kreeg. Zijn zoon Nathaniel (*1763) werd ook een bekende violist en componist. Weduwnaar geworden, hertrouwde Niel Gow in 1768 met Margaret Urquhart uit Perth. Zij hadden een buitengewoon gelukkig huwelijk tot 1805, toen Margaret overleed, wat leidde tot zijn beroemdste compositie: "Niel Gow's Lament for the Death of his Second Wife".

Jaarlijks vind er nog een Niel Gow Fiddle Festival plaats in Dunkeld and Birnam, Perthshire.

Niel Gow componeerde

     87 dansmelodieën, die tot op de dag van vandaag de grondslag voor de Schotse country dansmuziek vormen

- "Niel Gow's Lament for the Death of his Second Wife", 1805

 

Jean Daniel Braun(Frankrijk, vóór 1728 – omstreeks1740) was in de eerste helft van de 18de eeuw lid van de kapel van hertog Antoine de Pardaillan de Gondrin(1707–1743) inÉpernon. Omdat hij veel componeerde voor fluit en fagot, zal hij beide instrumenten wel bespeeld hebben, maar we weten verder niets van hem af.

Jean Daniel Braun componeerde

     1 fluitconcert

     triosonates voor dwarsfluiten, violen of hobo’s en  basso continuo

     24 sonates voor fluit en basso continuo

- 6 sonates pour la Flûte–traversière avec la Baße,  opus 1, 1728, elegant, harmonisch aantrekkelijk.

     6 sonates voor 2 fagotten

     6 suites voor 2 musettes, blokfluiten of hobo’s

     sonaten voor twee dwarsfluiten

     8 capricen voor fluit solo 

 

Niccolò (Vito) Piccinni (Bari, 16 januari 1728 – Passy, 7 mei 1800) was een leerling van Leonardo Leo en Francesco Durante aan het Conservatorio di Sant'Onofrio a Capuana in Napels.

Vanaf 1776 verbleef hij voornamelijk in Parijs, waar hij zijn eerste Franse opera, Roland (1778), componeerde. Hij verwierf daar onverwacht veel aanhang uit de kringen die zich verzetten tegen de revolutionaire denkbeelden ten aanzien van de opera van Christoph Willibald Gluck (1714-1787). Na het uitbreken van de Franse Revolutie keerde Piccinni naar Napels terug, waar hij – net als in Parijs – in politieke moeilijkheden raakte. In 1798 vestigde hij zich opnieuw in Parijs.

Niccolò Piccinni componeerde

     127 opera’s

- La buona figliuola(het begaafde meisje), ofLa Cecchina, opera buffain drie bedrijven, libretto Carlo Goldoni, gebaseerd op Samuel Richardson's roman Pamela, 6 februari 1760. Hoofdpersoon is het tuinmeisje Cecchina (sopraan), waarop de markies (tenor) uiteraard verliefd is. Zijn zus, markiezin Lucinda (sopraan) zingt aan het eind van het eerste bedrijf heel furieus: "Furia di donna irata";

     1 concert voor fluit en orkest

     2 sinfonia’s

     2 werken voor harmonieorkest

     2 motetten

 

 

Johann Gottfried Müthel (Mölln, hertogdom Lauenburg, 17 januari 1728 – Bienenhof, Litouwen, 14 juli 1788) was de vijfde van negen kinderen. Zijn vader was organist Christian Caspar, een vriend van Georg Philipp Telemann. Johann Gottfried studeerde muziek bij zijn vader en later bij Johann Paul Kunzen in Lübeck. In 1747 werd hij, 19 jaar oud, organist en klavecinist bij hertog Christiaan Ludwig II van Mecklenburg-Schwerin in Schwerin.

In 1750 kreeg Johann Gottfried Müthel verlof te studeren bij Johann Sebastian Bach in Leipzig. Hij werd Johann Sebastian Bachs laatste leerling, drie maanden voor Bach’s dood. Hij heeft nog wat van de laatste werken van de al blinde componist genoteerd: de chromatische fantasie en delen van het Orgelbüchlein;

Johann Gottfried Müthel vervolgde zijn studie bij Johann Christoph Altnickol, en hield een levenslange vriendschap met uitgebreide correspondentie met Carl Philipp Emmanuel Bach. In 1751 keerde hij naar het hof in Schwerin terug.

In 1753 verhuisde Johann Gottfried Müthel naar Riga, in eerste instantie als dirigent van een privéorkest, later werd hij ook aangesteld als organist aan de Sint Petruskerk, een functie die hij tot zijn dood bleef vervullen.

Johann Gottfried Müthel was de eerste componist die in een publicatie van zijn werk (Duetto für 2 Clavier, 2 Flügel, oder 2 Fortepiano, 1771), de term “fortepiano” gebruikte.

Johann Gottfried Müthel componeerde

     9 concerten

- Concerto voor 2 fagotten, stijkers en basso continuo in Es grote terts

     9 klavecimbelsonates

     andere klavecimbelwerken

     1 sonate voor fluit en basso continuo

     orgelwerken

- koralen

-  preludes en fugue,

- fantasias,

- fantasie in g klein

     1 cantate

     45 liederen

 

Pietro Alessandro Guglielmi (Massa, Italië, 9 december 1728 – Rome, 19 november 1804) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, en studeerde daarna bij Francesco Durante aan het  Conservatorio di Santa Maria di Loreto in Napels. 

In 1762 werd hij benoemd als dirigent aan de opera in Dresden.

In 1768 ging hij naar Londen (volgens Charles Burney, volgens Florimo in 1772) en in 1777 kwam hij in Napels terug.

In 1793 werd hij maestro di cappella aan de Sint Pieter in Rome, waar hij in 1804 overleed. Twee van zijn  acht zoons werden ook bekende musici: Pietro Carlo Guglielmi (1763-1827) componist en Giacomo Guglielmi, zanger.

Pietro Alessandro Guglielmi componeerde

     33 opere serie

     25 opere buffe

- La Quakera spiritosa, commedia per musica in 2 acten, 1783, libretto Giuseppe Palomba

     25 drammi giocosi

     6 intermezzi

     5 farse

     1 serenata

     19 oratoria en cantates

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

- 6 kwartetten voor klavecimbel, twee violen en violoncello;

     klavecimbelsonates

 

Hermann Friedrich Raupach(Stralsund, Duitsland, 21 december 1728 – Sint Petersburg, Rusland, 12 december 1778) was de zoon van componist en organist Christoph Raupach (1686-1744) en een neef van de de Lutherse kerkhistoricus Bernhard Raupach (1682–1745). Hij kreeg zijn muzieklessen van zijn vader. Hermann Raupach werd in 1755 klavecinistassistent vanVincenzo Manfredini bij het Russische keizerlijke hoforkest in Sint Petersburg. In 1758 werd hij daar aangesteld als Kapellmeisteren hofcomponist. Zijn opera’s werden daar in het Russisch uitgevoerd. In 1762 verliet Hermann Raupach Sint Petersburg om eerst naar Hamburg en daarna naar Parijs te gaan. In Parijs ontmoette hij Wolfgang Amadeus Mozart waarmee hij op de piano vierhandig improviseerde. Wolfgang Amadeus Mozart arrangeerde enkele van zijn sonatedelen voor piano en strijkorkest. Later kwam Hermann Raupach naar Sint Petersburg terug. Hij werd daar docent compositie en zang aan de Academie voor Schone Kunsten van 1768 tot 1778.

Hermann Raupachcomponeerde

     4 opera’s

     15 balletten

     psalmcantates

     14 vioolsonates

- vioolsonate in A grote terts KV 61, werd eerder foutief aan Mozart toegeschreven; in 1912 ontdekten Theodor de Wyzewa en Georges de St. Foix dat de sonate van Hermann Raupach was

 

John Jones (Londen, Engeland, 1728 – Londen, 1796) begon als koorknaap aan de St Paul's Cathedral bij Maurice Greene. Hij was organist van Temple Church in Middle Temple van 1749 tot 1796, van Charterhouse Londen van 1753 tot 1796 en van de St Paul's Cathedral van 1755 tot 1796.

John Jones was getrouwd met Sarah Chawner in Sudbury, Derbyshire.

John Jones componeerde

     eight sets of lessons voor klavecimbel, 8 vijfdelige suites;

- Lesson I

1. Preludium, temperamentvol vol woeste arpeggio’s

- Lesson VI

3. Pastorale, lyrisch

     Anglicaanse psalmzettingen, zo’n beetje als eerste

 

Josep (José)  Pla i Agustí (1728 – Stuttgard, 14 december 1762) was de jongere broer van Juan Bautista Pla (1720 – 1773). Vanaf zijn 16de jaar speelde hij in operaproducties die aan het Madrileense hof werden georganiseerd. Vanaf 1751 trok hij samen met zijn broer Juan Bautista Pla door verschillende steden van Europa. Hij stierf in Stuttgard in Duitsland, waar hij een erebegrafenis kreeg.

Josep Pla componeerde

     instrumentale werken

     motetten

- Stabat Mater in Es grote terts (1756).

 

Florian Leopold Gassmann (Most, Bohemen, 3 mei 1729 – Wenen, 20 januari 1774) was de zoon van goudsmid Johann Heinrich Gassmann en Eva Rosina Gassmann. Hij kreeg zang-, viool en harples aan het Jezuïetenseminarie in Komotau van Johann Woborschil.

Rond 1742 vertrok Leopold Gassmann naar Italië en was daar leerling van Padre Martini in Bologna. Daarna trok hij verder naar Venetië. Hier schreef hij onder meer zijn opera Merope (1757); tot 1762 zou hij er jaarlijks een opera voor het carnaval verzorgen.

In  1764 werd Leopold Gassmann benoemd tot kamercomponist van keizer Jozef II als opvolger van Christoph Willibald Gluck aan het Weense theaterorkest. In 1768 trouwde Leopold Gassmann met Barbara Damm. Ze kregen twee dochters: Anna Fux (1771-1858) en Therese Rosenbaum (1774-1837), die beiden beroemde zangeressen werden, gevormd door Antonio Salieri. Therese maakte naam als Mozartvertolkster.

In 1771 richtte Leopold Gassmann de  Tonkünstlersozietät op, die voor het eerst publieksvoorstellingen in Wenen organiseerde.

In 1772 werd  Leopold Gassmann hofkapelmeester aan het Weense hof. Hij kwam twee jaar later om het leven als gevolg van een verkeersongeluk dat hij in Italië had opgelopen. Hij werd op het kerkhof in Alservorstadt begraven.

Leopold Gassmann componeerde

     50 symfonieën,

     25 opera's

- L'Opera seria, 1769

     2 cantates

     5 missen

     1 requiem

     1 vesper

     18 misdelen

     5 gezangen

     1 oratorium

- La Betulia liberata, specicaal gecomponeerd als openingsconcert van de Tonkünstlersozietät

     divertimenti voor verschillende bezettingen

     6 strijkkwartetten

     2 trios voor fluit, viool en altviool.

 

Georg Wilhelm Gruber(Neurenberg, 22 september1729 – 22 september1796) kreeg zijn eerste muzieklessen van organist Cornelius Heinrich Dretzel(1697–1775) en was al als zevenjarig jongenssopraantje in dienst van de stad Neurenberg. Hij kreeg klavecimbelles van Johann Siebenkees en vioolles van de Neurenberger stadsmuzikantJoachim Hemmerich. Op zijn 18de maake hij als violist een concertreis door Duitsland en oogstte daarbij veel bijval. Daarna had hij nog les in contrapunt bij Joseph Umstatt en nadat hij in 1750 lid was geworden van het stadsorkest van Neurenberg vioolles bij Domenico Ferrari. In 1765 werd hij director chori musici, dirigent van het stadsorkest.

Zijn zoon Johann Siegmund Gruber (1759–1805) was jurist en samensteller van muziekbibliografische boeken.

Georg Wilhelm Grubercomponeerde

     5 oratoria en cantates

     60 Psalmen in Duits en Latijn

     3 klavecimbelconcerten, kunnen ook prima op een tangentenpiano of pianoforte.

     andere orkestwerken

     kamermuziekwerken

     68 liederen en aria’s 

 

Pierre-Alexandre Monsigny(Fauquembergues, bij Saint-Omer, Artois, Frankrijk, 17 oktober 1729 – Parijs, 14 januari 1817) werd vier maanden voor het huwelijk van zijn ouders Marie-Antoinette Dufresne en Nicolas Monsigny geboren. Zijn ouders waren van adellijke maar verarmde afstamming.

Hij kreeg les aan het Collége des Jésuites Wallons in Saint-Omer. In 1749 overleed zijn vader, en trok Pierre-Alexandre Monsignynaar Parijs, met een paar munten op zak, een viool en een aanbevelingsbrief, om te zien of hij wat voor zijn broers en zussen kon verdienen. Hij kwam in dienst van een zekere M. de Saint-Julien, in het belastingkantoor van Frankrijk. Later kon hij j als huishofmeester bij de Hertog van Orléans aan het werk. In 1752 stapte hij over naar ware liefde: de muziek, hij nam les bij Pietro Gianotti en werd contrabassist aan de Parijse Opera.

Hij werd al gauw een succesvolle schrijver van komische opéra's, vooral in samenwerking met librettistMichel-Jean Sedaine.

Ze werden wel allemaal anomiem uitgegeven, want een edelman maakte muziek voor zijn plezier, niet voor geld. In 1777 stopte hij met componeren.

In 1784 trouwde Pierre-Alexandre Monsignymet Amélie de Villemagne met wie hij in vrede leefde tot 1789. De Franse Revolutie en de daarbij behorende terreur beroofden hen van al hun materiele bestaansmogelijkheden. De muzikant en zijn familie brachten een paar jaar in diepe ellende door. De leden van de Opéra-Comiquereddenhet gezin met een pensioen van 2400 pond, als dankbaarheid voor een van de oprichters van hun theater.

Toen de jaren van rampspoed voorbij waren, kwam de waardering voor Pierre-Alexandre Monsignyen zijn werken weer terug. Hij werd onderwijsinspecteur aan het Conservatoire de Musique in Parijs. In 1804 werd hij Chevalier de la Légion d'honneur.

Zij laatste levenjaren werden bemoeilijkt door totale blindheid, verooraakt door de oogziekte cataract

Pierre-Alexandre Monsignycomponeerde

     18 opera's

- Le roi et le fermier, comédie gemengd met muziekstukken in 3 bedrijven, 22 november 1762, libretto Michel-Jean Sedaine, naar  The King and the Miller of Mansfield (1737) van Robert Dodsley,

- Le déserteur, opera in drie bedrijven, libretto Michel-Jean Sedaine, 6 maart 1769 was tot op de dag van vandaag zijn meets succesvolle opera 

     oefeningen voor viool en piano

 

Giuseppe Sarti (gedoopt Faenza, Italië, 1 december 1729 – Berlijn, 28 juli 1802) werd opgeleid door Padre Martini en op 18-jarige leeftijd benoemd als organist van de kathedraal van Faenza.

 In 1752 werd hij directeur van het theater van Faenza en ging hij zich wijden aan het schrijven en opvoeren van opera’s.

In 1753 ging hij samen met Pietro Mignotti naar Kopenhagen, waar hij in 1755 door koning Frederik V van Denemarken werd aangesteld als Hofkapellmeister en directeur van de opera. Terwijl hij in 1765 naar Italië reisde om nieuwe zangers aan te nemen, veroorzaakte de dood van Koning Frederik het einde van zijn betrekking. In 1769 ging hij naar Londen, waar hij overleefde door het geven van muzieklessen.

In 1770 kreeg hij een betrekking als muziekleraar aan het Conservatorio dell'Ospedaletto in Venetië. In 1779 werd hij benoemd tot maestro di cappella aan de kathedraal van Milaan, waar hij zou blijven tot 1784. Hij componeerde een groot aantal religieuze werken, en leidde een aantal talentvolle leerlingen op, waaronder Cherubini. In 1784 werd Sarti uitgenodigd door keizerin Catherina II naar Sint Petersburg. Onderweg maakte hij een tussenstop in Wenen, waar keizer Joseph II hem met grote eer ontving en waar hij met Wolfgang Amadeus Mozart kennis met maakte.

Vanaf 1785 had Giuseppe Sarti de leiding van de opera van St. Petersburg, waarvoor hij veel nieuwe werken componeerde. In 1802 kreeg hij wegens gezondheidsproblemen ontslag met een genereus pensioen. Giuseppe Sarti overleed in Berlijn.

Giuseppe Sarti componeerde

     75 opera’s

- Il re pastore (Carnaval 1753, Pesaro), dramma per musica in drie bedrijven, libretto Metastasio

- Fra i due litiganti il terzo gode, onsterfelijk gemaakt door Mozart, die een aria overnam in Don Giovanni, en La Nozze di Figaro er voor een groot deel op baseerde

- Ciro riconosciuto, 1753, dramma per musica in drie bedrijven, libretto Metastasio,  gecomponeerd in Denemarken.

- Le gelosie villane ("plattelandsjaloezie") dramma giocoso in drie bedrijven, libretto Tommaso Grandi. November 1776, wed in heel Europa een populaire opera. De opera is een klucht over de liefdesrelatie van een markies en een aantal boerenmeisjes op zijn landgoed.

- Giulio Sabino, dramma per musica in 3 bedrijven, libretto Pietro Giovannini, 3 januari 1781. De opera is een lofzang op de echtelijke liefde en speelt zich af in de 1ste eeuw na Christus in Gallië in de tijd van keizer Vespasianus. Het was Sarti’s populairste opera, in de 19de eeuws overal in Europa veelvuldig uitgevoerd. De beroemde aria van Galliërhoofdman Giulio (sopraan): “Lungi dal caro bene” Is door de castraatsopraan Luigi Marchesi uit Sarti’s eerder opera "Le gelosie villane" overgenomen en hier ingevoegd, toen hij de titelrol moest zingen. Oorspronkelijk komt deze aria er dus niet in voor.

- Armida e Rinaldo, 1786, Sint Petersburg, Hermitage ), dramma per musica in twee bedrijven, libretto Marco Coltellini

- The Early Reign of Oleg, (1790, Sint Petersburg, Hermitage), 5 bedrijven, libretto Catherina II

- I contrattempi, dramma giocoso, libretto Nunziato Porta, november 1778, In het tweede bedrijf, scene 12 zingt ene Frasconio(bas) de aria Penso, che per morire, die nogal humoristisch schijnt te zijn, maar ik kan daar het fijne niet van terugvinden.

     3 wereldlijke cantates

     10 andere wereldlijke vocale werken

     8 missen

     32 losse  misdelen

     5 requiems

     4 magnificats

     5 Te Deums

- Russisch Te Deum voor twee koren en orkest voor de overwinning van Ochakov, waarbij een echt kanon moet worden afgeschoten

     1 complete Russische liturgie voor 2 koren a cappella

     7 oratoria

     talloze motetten, psalmen, lamentationes, gezangen enz.

     15 sinfonia’s

     17 sonates voor klavecimbel

 

(padre) Antonio Francisco Javier José Soler Ramos, (Olot, Catalonië, Spanje, gedoopt 3 december 1729 – El Escorial, 20 december 1783) was de zoon van Marcos Mateo Pedro Soler, een legermuzikant. Op zesjarige leeftijd werd Antonio Soler toegelaten tot de koorschool van het klooster van Montserrat, waar hij van de organist Benito Esteve les kreeg. In 1744 werd hij benoemd als organist en onderdeken aan de kathedraal in La Seu d'Urgell. Later werd hij kapelmeester in Lleida en El Escorial.

Soler deed zijn communie toen hij 23 was, en leefde gedurende de volgende 31 jaren erna een kloosterbestaan als novice/monnik nabij El Escorial. Hij vulde 20 uur per dag met gebed, bezinning en landbouwwerk - een eenvoudig en onopvallend leven. In 1766 werd Antonio Soler benoemd tot muziekleraar van Prins Gabriel, de 14-jarige getalenteerde zoon van Carlos III. Antonio Soler bleef hem tot het eind van zijn leven lesgeven, en droeg een aantal van composities aan hem op. Antonio Soler had een broer, Don Mateo Soler, een musicus in dienst van de koning.

Samuel Rubio catalogiseerde begin twintigste eeuw de werken van Soler, waarbij elk werk een R-catalogusletter meekreeg.

Antonio Soler componeerde

     10 missen

     5 requiems

     51 psalmen

     24 gezangen

     100 motetten of aanverwante religieuze muzikale werken

     28 lamentationes

     132 villancico's (kerstliederen)

     6 kwintetten voor orgel en strijkers

     6 concerten voor twee orgels

- Seis concertos para dos órganos, geschreven voor zijn leerling Dom Gabriel de Bourbon. In 1775 kreeg Dom Gabriel een orgelmet twee klavieren tegenover elkaar. Ze kunnen ook prima door twee klavecimbels of door kalvecimbel èn orgel worden utigevoerd

     andere orgelwerken

     klavecimbelwerken

- 150 sonates, vergelijkbaar met de sonates van Domenico Scarlatti

- fandango, R146, zijn bekendste klavecimbelwerk, de authenticiteit wordt betwijfeld

 

Natalis (-Chrétien) Vander Borcht (1729 – 1785) was klavecinist, beiaardier en organist aan de Sint-Geertruikerk in Leuven, stad waar hij geboren en heel zijn leven werkzaam was.  

Natalis Vander Borcht componeerde

     12 suites voor klavecimbel.

 

Johann Scherer (18de eeuw) komt als fluitist en hoboïst voor in de lijst kamermusici aan het hof van Kassel van 1768.

Johann Scherer componeerde

     2 sonates voor drie altblokfluiten, in 1760  in Amsterdam gedrukt en verschenen. Deze sonates zijn voor blokfluitsten best wel de moeite waard

     3 sonates voor drie traversi